Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


namespace:de_noodzaak_van_vrouwenbonden

De noodzaak van vrouwenbonden

Door Milly Witkop

  • Oorspronkelijke titel: Die Notwendigkeit der Frauenbünde
  • Verschenen: 1925
  • Bron: Open de poorten van de vrijheid, Siegbert Wolf, Kelderuitgeverij, Utrecht 2016; Die Notwendigkeit der Frauenbünde, Der Frauen-Bund, Nr. 3, mei 1925
  • Vertaling: Johny Lenaerts

De noodzaak van vrouwenbonden

Het spreekt eigenlijk vanzelf dat het pleidooi van veel mannelijke kameraden voor de ontbinding van de vrouwenbonden bij de vrouwelijke kameraden een storm van protest uitlokte. De vrouwen zijn nu eenmaal tot het inzicht gekomen dat zulke organisaties noodzakelijk zijn, en omdat ze het serieus menen, is het niet verbazend dat ze hun standpunt heftig verdedigen. Het zou triest zijn als dit niet zo was, want dat zou alleen bewijzen dat vrouwen weinig belangstelling voor hun eigen zaken hebben. Toch is het onjuist te denken dat de kameraden die voor samenwerking van mannen en vrouwen in dezelfde eenheidsorganisatie pleiten, slechte bedoelingen hebben. Ongetwijfeld hebben ze ronduit eerlijke motieven en laten ze zich leiden door de behoefte de beweging vooruit te helpen. Maar niet alle goede bedoelingen werken ook in de praktijk goed uit of zijn nastrevenswaardig, vooral niet in dit geval.

Voordat we tot de oprichting van de vrouwenbonden overgingen, hebben we daar goed over nagedacht, en toen we tot oprichting besloten, deden we dat voornamelijk omdat we op de eerste plaats huisvrouwen en moeders, die niet rechtstreeks als producenten in aanmerking komen, wilden organiseren. Volgens mij zou het helemaal fout zijn als we deze vrouwen in de algemene organisatie zouden inschakelen, omdat ze er weinig kansen hebben hun eigen initiatieven te ontwikkelen en ze daarom grotendeels tot de rol van zwijgzame toehoorster gereduceerd worden. Op zo’n manier zouden ze noch de beweging in het algemeen noch zichzelf een dienst bewijzen.

Je kan misschien opmerken dat de vrouwenbonden tot nu toe maar weinig resultaat geboekt hebben en dat ze vrouwen niet veel voordeel gebracht hebben. Maar deze beschuldiging is niet terecht. Ondanks de besluiten van de congressen van Düsseldorf [1921] en Erfurt [1922], die de noodzaak en de uitdaging van de bonden ronduit erkend hebben, is gedurende de laatste vijf jaren met dit thema erg weinig gedaan. Het zou daarom dwaas zijn, meer resultaten te verwachten. Ik wil daarmee niemand een verwijt maken, mijn woorden moet je veeleer opvatten als een aansporing om in dit opzicht meer inspanningen te leveren.

Maar zelfs het weinige dat gedaan werd, was niet zonder succes. Wanneer we momenteel een groot aantal vrouwen over bijna het hele land organiseren, vrouwen die in staat zijn zowel hun eigen belangen als die van de beweging actief te verdedigen, dan is dat een direct resultaat van de vrouwenbonden. En zonder het bestaan van deze vrouwenbonden zouden we dit wellicht niet bereikt hebben. Dat de vrouwen hun taken goed begrepen hebben, blijkt reeds uit het feit dat een groot aantal groepen de wederzijdse hulp op zo’n manier in praktijk brengen, dat ook mannelijke kameraden daar een voorbeeld aan kunnen nemen. Daarmee wil ik niet zeggen dat we tevreden zijn en dat we ons voor elke kritiek zouden afsluiten. Integendeel, we moeten er steeds weer de nadruk op leggen dat er tot nu toe veel te weinig is gedaan en dat we alle krachten moeten inzetten nieuwe groepen op te zetten en de bestaande steeds beter uit te bouwen en te ontwikkelen. Het zou totaal verkeerd zijn als je de vrouwen zou verwijten dat ze niet hun plicht gedaan hebben, nadat de kameraden zich op hun congressen ingezet hebben en besluiten ten gunste van de vrouwenbonden aangenomen hebben. Zouden we deze verwijten ook niet aan mannen kunnen richten? De meeste van hen waren ervan overtuigd dat, toen ze de noodzaak van vrouwenbonden in een bijzondere resolutie hadden vastgelegd, alles vanzelf wel in orde zou komen. Dit wil zeggen dat er toch wel erg lichtzinnig over deze aangelegenheid werd gedacht. Ongetwijfeld zou het veel beter geweest zijn als de vrouwen zich actiever opgesteld hadden, en dat zou ook over mannelijke kameraden kunnen gezegd worden. Van de mannen die in de vakbond georganiseerd zijn had je toch eigenlijk met recht en reden mogen verwachten dat ze vrouwen, die het op dit vlak nog volkomen aan ervaring ontbrak, met en raad zouden bijstaan.

Jammer genoeg loopt niet alles zoals wij dat zouden wensen, en daarom moeten we geduld hebben en het bijltje er niet bij neergooien. Het feit dat het niet zo snel vooruit gaat als we zouden wensen wil helemaal niet zeggen dat het niet nodig zou zijn. Als dat zo zou zijn, dan zou je alle activiteiten van de pioniers van de syndicalistische beweging in Duitsland voor miniem moeten houden, want ook zij hadden niet het succes dat ze gehoopt hadden. En toch zal niemand ontkennen dat mannen die iedere dag in de bedrijven aanwezig zijn veel makkelijker bereikt kunnen worden dan vrouwen die, doordat ze in hun gezin zijn ingekapseld, veel moeilijker door nieuwe ideeën beïnvloed kunnen worden.

Wanneer men het heeft over het geringe succes van de vrouwenbonden dan mag je één factor niet onder de mat vegen: het is jammer genoeg onweerlegbaar dat een groot aantal van onze kameraden er überhaupt tegen is dat vrouwen in de beweging actief zijn. Oude, in Duitsland diep gewortelde, vooroordelen spelen daarbij vast de hoofdrol. De angst zelf het avondmaal te moeten opwarmen als de vrouw naar een vergadering is, of zelfs de vrees dat ze de benen zou kunnen nemen wanneer ze over vrijheid of – God verhoede ons – over vrije liefde hoort spreken, heeft soms zeer eigenaardige effecten. Hoe belachelijk en kleinzielig deze bezwaren ook zijn, ze bestaan en ze maken de inzet van de vrouw voor de zaak natuurlijk nog zwaarder. Als je al deze factoren voor ogen houdt dan is het niet verbazend dat de vrouwenbonden geen grotere vooruitgang geboekt hebben.

Maar het is wel duidelijk dat vrouwen behoefte voelen bepaalde activiteiten te ontwikkelen. Het is daarom de plicht van de kameraden deze tendens te stimuleren en te ontwikkelen, in plaats van ze in de kiem te smoren.

Laten we vrouwenbonden niet opvatten als iets bijkomstigs maar als een volwaardig deel van de algemene beweging. Het is belachelijk te denken dat de syndicalistische beweging haar doel kan bereiken zonder actieve medewerking van vrouwen. Zelfs de grootste conservatief zou zoiets niet meer durven beweren. Op buitenparlementair gebied is de vrouw momenteel een belangrijke factor geworden en treurig genoeg is dit een angstwekkend reactionaire factor, hetgeen ons niet in het minst verrast omdat we dat al vermoed hadden. Een element dat eeuwenlang blind en dom gehouden werd en dat nu plotseling de macht krijgt om mee te beslissen in het openbare leven, al is het ook maar schijnbaar, moet logischerwijs wel de rangen van de reactie versterken.

Omdat we er ons van bewust zijn dat de taken van de vrouw op een heel ander terrein liggen dan dat van de man, zouden we alle propagandamiddelen moeten inzetten om nieuwe wegen voor de vrouw te ontsluiten. Haar moet bijgebracht dat haar activiteit niet op het parlementaire vlak ligt maar in de culturele wereld en in het domein van de economie, waar ze als consument invloed kan uitoefenen en het algemeen welzijn kan dienen.

Gelukkig zijn er ook al in andere landen stappen in deze richting gezet. De Engelse coöperaties zijn bijvoorbeeld momenteel erg actief de consumenten in vrouwengilden te organiseren, waar ze geschoold en gevormd worden op elk vlak van het economische leven. De beste deskundigen worden voor deze vormingsactiviteiten aangetrokken en behalen reeds uitstekende resultaten. Steeds weer is de conclusie dat de economie de belangrijkste factor van het maatschappelijk leven is en dat juist op dit terrein de medewerking van vrouwen als consument van doorslaggevend belang is. We zijn dus in ieder geval op de juiste weg.

Het is nu gewenst zijn dat het niet bij theorie blijft en dat eindelijk wordt besloten het culturele en economische vormingswerk aan te pakken, om een groter werkveld voor de vrouwenbonden te ontsluiten, wat hen ook op financieel vlak onafhankelijk kan maken.

Hoe zou het zijn, als we overal waar vrouwengroepen bestaan kleine consumptiecoöperatieven in het leven zouden roepen, die in het groot inkopen en de winst die daarmee aan de tussenhandel onttrokken wordt voor onze propaganda zouden besteden? De vrouwenbonden zouden zo niet langer ten laste van de algemene beweging vallen en toch hun propaganda kunnen voeren en in deze bescheiden initiatieven hun creativiteit ontplooien. Zulke experimenten zouden veel consequenties kunnen hebben, die ik hier niet verder behandel. Hoofdzaak is dat ermee begonnen wordt. Om dit voorstel uit te voeren moeten vrouwelijke kameraden overal waar vrouwengroepen bestaan bij elkaar komen om de details van de opzet ervan uit te werken en de middelen en de wegen daartoe te ontsluiten.

Vooral echter zou men de wil moeten hebben iets te doen. Al het andere zal daaruit voortvloeien.

namespace/de_noodzaak_van_vrouwenbonden.txt · Laatst gewijzigd: 25/02/20 08:00 door defiance