Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen

revolutionair_woordenboek

Inhoud

Revolutionair Woordenboek

A

  • Affiniteitsgroep: af-fi-ni-teits-groep (de; zn. -en); Van affiniteit, het delen van een natuurlijke interesse; samenwerking op basis van overeenstemming in zowel vorm als doel; groep samenwerkend op basis van affiniteit. Vaak wordt de affiniteitsgroep in relatie gebracht met organisatie op informeel basis. Het kan echter ook een formeler karakter hebben als deze op grotere schaal wordt toegepast - meestal in federatief verband of in een cellenstructuur.
  • Anarcha-feminisme: a-nar-cha-fe-mi-nis-me (het; zn., samenstelling); Samentrekking van anarchisme en feminisme. Het feminisme benaderd vanuit anarchistisch perspectief. De bevrijding van de vrouw, is van meerdere maatschappelijke aspecten aspecten afhankelijk, zoals de economische verhoudingen. Maatschappelijke gelijkstelling kan volgens anarcha-feministen alleen bereikt worden in een vrije en gelijkwaardige samenleving. “Meer vrouwen aan de top”, voorstaat nog steeds een economische overheersing van de ene vrouw over de andere. (Zie ook “Feminisme”)
  • Anarchie: an-ar-chie (de; zn.); van het Griekse ‘αναρχος’ (an archos), zonder heerser. Een maatschappijvorm waarin de heerschappij van de ene mens over de ander is afgeschaft. Anarchie betekend hierom ook de opheffing van de in staten georganiseerde samenleving - de staat is gebaseerd op het regeren van de één over de ander. In de anarchie leeft en werkt men op gelijkwaardige en vrijwillige basis samen, zowel op sociaal (van mens tot mens) als economisch vlak. De organisatie van deze samenleving kan door het decentrale en vrijwillige karakter verschillend zijn tussen communes en federaties. Een samenleving waar de belangen, ideeën en aspiraties van allen tellen en niet slechts die van de machtigen.
  • Anarchisme: an-ar-chis-me (het; zn., -isme); De politieke en sociale filosofie die een vrije en vrije, klasseloze samenleving - de anarchie - voorstaat. Binnen het anarchisme staan zowel individuele vrijheid als sociale verantwoordelijkheid en gerechtigheid centraal. Het anarchisme is echt geen homogene filosofie, zoals eigenlijk geen enkele dat is; er zijn verschillende stromingen met elk hun eigen nadruk. (Zie ook het hoofdstuk “Basisbeginselen” op deze website)
  • Anarchosyndicalisme: a-nar-cho-syn-di-ca-lis-me (het; -isme); Een verbinding van anarchisme en vakbondsstrijd. Syndicaat is een oud woord voor vakbond. Anarcho-syndicalisme organiseert de vakbond langs anarchistische lijn; dwz. de arbeiders besturen hun bond op horizontale manier - er is geen vakbondsleiding, de besluitvormingsmacht ligt bij de arbeiders zelf. Op de lange termijn proberen anarcho-syndicalisten via arbeidsstrijd kapitalisme af te schaffen en de economie te socialiseren.
  • Antifascisme: an-ti-fas-cis-me (het; zn., -isme): 1 Het fascistische gedachtengoed afwijzend 2 Zich verzettend tegen een fascistisch regime of zij die een fascistische maatschappij nastreven en/of trachten te installeren; Bijvb. omdat men wordt doordat men niet in het wereldbeeld van het fascisme past - door bijv. afkomst, religie of politieke overtuiging. Heden ten dage zijn antifascisten o.a. georganiseerd in de Antifascistische Actie (AFA) - een internationaal netwerk van groepen en organisaties die zich verzetten zich tegen tendenzen als nationalisme, racisme, seksime en maatschappelijke uitsluiting. (Zie ook “Fascisme”)
  • Antiautoritair: an-ti-au-to-ri-tair (bn.); 1 Autoriteit afwijzend 2 Op gelijkwaardige basis, zonder hiërarchie.
  • Arbeid: ar-beid (de; zn.); 1 Werk; 2 Werk verricht voor loon, de arbeid die wordt verkocht aan een ander. (Zie ook “Kapitalisme“)
  • Arbeider: ar-bei-der (de; zn. -s); Persoon die zijn of haar arbeid verkoopt voor een loon en daarmee in dienst is van een ander. Dit kan zowel fysieke als intellectuele arbeid zijn. Door het stereotype beeld van de arbeider in een blauwe overalen moderne arbeidswetgeving rondom bijv. de ZZP (Zelfstandige Zonder Personeel) wordt de zelfidentificatie te behoren tot de arbeidersklasse vertroebeld.
  • Arbeidersklasse: ar-bei-ders-klas-se (de; zn., samenstelling); Maatschappelijke klasse waartoe de arbeiders behoren. (Zie ook “Klasse” en “Arbeid”)
  • Autonomie: au-to-no-mie (de; zn.,); Samenstelling van Griekse Autos = zelf, eigen, op zichzelf, alleen en Nomos = gewoonte, gebruik, traditie, recht, wet/) Letterlijk: “Zichzelf de wet stellend. Collectieve autonomie: een groep die haar eigen regels opstelt, zichzelf regeert, zelfbestuur. Individuele autonomie: Uit het doel van het eigen leven afgeleide regels volgen. Het eigen gedrag, handelen richten en sturen, zelfsturend”. Onderscheiden van eigenwijs, door de innerlijke coherentie van doel en handelen van autonome personen en groepen; Tegenovergesteld: Heteronomie: Zichzelf laten leiden door regels die door anderen zijn opgelegd. (Zie ook “Autarkie”)
  • Autarkie: au-tar-kie (de; zn., -isch); Zelfvoorzienend, zichzelf genoeg zijn, in de eigen behoeften voorzien, bv: een gemeenschap die voorziet in de eigen levensvoorwaarden, voedsel, materialen en energie, waarbij alleen gebruik wordt gemaakt van de krachten die in die gemeenschap aanwezig zijn. (Zie ook “Autonomie” en “Vrijheid”)
  • Autoriteit: au-to-ri-teit (de; zn., -en); 1 Erkend gezag; de autoriteit van de regering, de macht die de regering heeft over zijn bevolking; op eigen autoriteit iets doen, op eigen gezag 2 Overheidslichaam of -persoon; Zich tot de bevoegde autoriteiten wenden 3 Persoonlijk overwicht, dit kan om verschillende redenen zijn, bijv. wegens fysiek overwicht, maar ook wegens bijv. vaardigheden; De tandarts is een autoriteit op het gebied van tandheelkunde. Anarchisten hechten groot belang aan vrijwillig geaccepteerde autoriteit in tegenstelling tot opgelegde. In het voorbeeld van de tandarts kan de tandarts als autoriteit de patiënt voorleggen wat er nog is om diens gebit te verzorgen, waarop de patiënt de vrije keuze heeft of deze hiermee akkoord gaat. Problematisch zou het worden als de arts de patiënt tegen in de stoel dwingt om deze tegen diens wil in te behandelen.
  • Autoritair: au-to-ri-tair (bn., -der, -st); 1 De wil aan anderen opleggend 2 Gebaseerd op of gebruik makend van macht als eerste beginsel, mn. niet-democratisch 3 Organisatievorm die gebaseerd is op een (sterke) hiërarchie, waarbij de top besluit voor de onderliggende lichamen. Andersom volgen de onderliggende lichamen de opdrachten uit die vanuit de top worden aangereikt.

B

  • Basisdemocratie: ba-sis-de-mo-cra-tie (de; zn., -en); Vergelijkbaar met directe democratie wordt de basisdemocratie als antwoord tegenover de representatieve democratie gesteld. De besluitvorming wordt vindt plaats door de direct betrokkenen van een onderwerp. (Zie ook “Directe democratie”)
  • Bezit: be-zit (het; zn.); Het houden of gebruiken van een goed, dat iemand in persoon, of door een ander, in diens macht heeft alsof het die persoon toebehoord. Bezit wordt in het dagelijks leven vaak verward met eigendom. Bezit gaat echter om die persoon die het gebruikt, het goed geniet, eigendom gaat over de juridische aanspraak die iemand op een goed kan maken. (Zie ook “Eigendom” en “Kapitalisme”)
  • Bezittende klasse: be-zit-ten-de klas-se (de; zn., samenstelling); De klasse die de middelen van productie en bestaan in en samenleving bezit - de economie. Het behoren tot deze klasse is in het moderne kapitalisme soms wat troebel door de economische organisatie gebaseerd op leningen - men kan een huis kopen maar is feitelijk bezitter van een schuld, de bank bezit het huis tot de lening is afbetaald. Ditzelfde kan gelden voor een kleine zelfstandige. De bezittende klasse is vaak ook de heersende klasse omdat zij politiek gezien veel invloed hebben. Andersom zorgt politieke invloed er vaak ook voor dat men economisch veel macht heeft. (Zie ook “Heersende klasse”)
  • Boer: boer (de; zn., -en); Zoals de fabriekseigenaar de bezitter is van de fabriek, is de boer dit tot het agrarisch bedrijf (veehouderij, land- en tuinbouw). De economische verhouding is vaak nog dezelfde al is in West-Europa veel landarbeid vervangen door machines. Boeren zijn met de verzelfstandiging van het boerenbedrijf ook sterk verstrikt geraakt in het web van het financieringskapitaal. (Zie ook “landarbeider”)
  • Bourgeois: bour-geois (bn.); Zoals de bourgeoisie; in lijn met dat wat de bourgeoisie doet, een bourgeois levensstijl, een materialistische, behoudende levensstijl.
  • Bourgeoisie: bour-geoi-sie (de; zn.); De bezittende klasse, de gegoede en conservatieve middenstand. Van oorsprong een in de middeleeuwen in Frankrijk wettelijk gedefinieerde sociale klasse die burgerschap en politieke rechten genoten - in tegenstelling tot de rest van de bevolking, veelal landarbeiders. De bourgeoisie was de gegoede burgerklasse, één trede het koningshuis. In het Nederlands ook wel aangeduid als 'burgerij'. Met de verspreiding van het socialisme raakte deze van oorsprong Franstalige term internationaal in gebruik. (zie ook “Burgerlijk” en “Kleinburgerlijk”)
  • Buitenparlementair: bui-ten-par-le-men-tair (bn.); Politieke of sociale activiteiten die zich (bewust) buiten het parlement om organiseren. Dit kan zijn omdat men hier geen positie heeft óf, in het geval van anarchisten, dat men de centralistische vorm van politiek via het parlement geheel afwijst en daarvoor alternatieve structuren tracht te ontwikkelen.
  • Bureaucratie: bu-reau-cra-tie (zn., de, -ën); Bestuur van achter het bureau; Een organisatiestructuur die gekenmerkt wordt door aan regels onderheven procedures, verdeling van verantwoordelijkheid, hiërarchie en onpersoonlijke relaties. De bureaucraat.
  • Burgerlijk: bur-ger-lijk (bn.); 1 Tot de burgerlijke stand behorend 2 Behorende tot de staatsburgers 3 aanhangen van burgerlijke normen, veelal gezagsgetrouw, conservatief, bekrompen. (Zie ook “Middenklasse” en “Kleinburgerlijk”)
  • Burgeroorlog: Een gewapend conflict tussen twee georganiseerde groepen binnen een land. Dit kan een conflict zijn tussen twee bevolkingsgroepen of een tussen bijv. de bevolking en een regering (en diens leger). Het doel van één van de partijen kan zijn om de macht over te nemen van het land of een regio, om onafhankelijkheid te realiseren of verandering van het bestuur te bewerkstelligen.

C

  • Clandestien: clan-des-tien (bn.); Heimelijke organisatie; Verdwijnen in de clandestiniteit - ondergronds gaan, een clandestiene organisatie - een ondergrondse organisatie.
  • Collectivisme: col-lec-ti-vis-me (het; -isme); van collectief, gemeenschappelijk. Stroming binnen het anarchisme dat zich richt op afschaffing van de staat en kapitalisme en de plaatsing van de economie in zelfbestuur. Onderscheid met anarcho-communisme is dat er in een collectivistisch model soms nog wel ruimte is voor óf de rechten over het product van de individuele arbeid, óf iets dat lijkt op geld - meestal de representatie van de uren van productie in plaats van een abstracte 'waarde' zoals we dit nu kennen. Veel vroege radicalen die zich richtte op collectivisme werden later aanhangers van het anarcho-communisme.
  • Commons: com-mons (de; zn., Engels); Het gemeenschappelijke of gemeenschapsgoed; De hedendaagse betekenis van de commons draait om het gemeenschappelijk of algemeen goed, goederen of diensten die door de gemeenschap beschikbaar zijn gesteld en gebruikt kunnen worden. Deze kunnen niet door een individu toegeëigend worden, op het moment dat dit gebeurd, verliest het zijn begrip als 'common'. Een moderne uiting van de commons is het concept van Creative Commons (CC), als men iets aandraagt onder deze CC-licentie (een tegenhanger van Copyright) wordt het geproduceerde gemeenschappelijk goed (meestal creatieve producten als kunst, muziek video of kennis). De spullen die onder deze licentie zijn geproduceerd zijn vrij gebruiken (meestal onder voorwaarde dat deze niet voor persoonlijk financieel gewin worden gebruikt).
  • Commune: com-mu-ne (zn., de, -isme); Gemeenschap die zelfstandig de . “De Commune van communes”In de jaren ’80 heeft de commune een veel kleinschaligere betekenis gekregen, waar de commune als aanduiding diende voor kleine leefgemeenschappen als woongroepen of leefgemeenschappen die zich terugtrekten uit de maatschappij en een geïsoleerd bestaan op het platteland stichtte. Deze betekenis doet echter het begrip commune tekort - de diepere betekenis gaat tot het maatschappelijk niveau met als eerste breedgedragen uiting de Commune van Parijs.
  • Communisme: com-mu-nis-me (zn., het); Van commune; het nastreven van de commune. Hoewel communisme heden ten dage vooral in verband wordt gebracht met Marxisme en de vele substromingen die hier uit voort zijn gekomen (Leninisme, Trotskisme, Stalinisme, Maoïsme) is dit eigenlijk onterecht. Over de interpretatie wat communisme is zijn verschillende ideeën, maar over het algemeen wordt aangenomen dat het communisme een vrije, klassenloze samenleving is, waar men in zelfbestuur leeft. Er zijn verschillende ideeën over hoe dit bereikt kan/moet worden, van libertaire tot autoritaire, waarbij sommige autoritaire stromingen, zoals het Stalinisme, het uiteindelijke doel van de ‘vrije’ samenleving uiteindelijk in het geheel laten varen en daarvoor in de plaats een sterke staat plaatsen. De vraag is daarbij of men nog van een commune en daarmee van communisme kan spreken. Doorgaans worden de Sovjet Unie en China hierom door anarchisten sterk afgewezen als model voor de bevrijding van de arbeidersklasse. De bevrijding van de arbeidersklasse, kan alleen de arbeidersklasse zelf realiseren. En niet, zoals de geschiedenis heeft bewezen, de nieuw opgestane politieke klasse die we in zovele autoritair-communistische modellen. (Zie ook “Commune”)
  • Confederalisme: con-fe-de-ra-lis-me (het; zn.); Organisatiemodel voor een breder verband waarbij de aangesloten delen gezamenlijke uitwisseling hebben en besluiten maken. Deze besluiten worden gemaakt op basis van gemeenschappelijk belang. Daar waar dit gemeenschappelijk belang er niet is, bestaat er binnen de confederatie vergaande autonomie voor de individuele onderdelen. Zo kan het zijn dat een voorstel binnen de confederatie slechts door een aantal lichamen wordt aangenomen en anderen zich hieraan kunnen onttrekken. Dit in tegenstelling tot de eenvormigheid van bijv. de natiestaat. (Zie ook “Federalisme” en “Zelfbestuur”)
  • Conformisme: con-for-mis-me (het; -isme); “Sich fügen, heisst lügen” (vert. Je voegen, is jezelf verloochenen) stelde Erich Mühsam in een zeer toepasselijke uitspraak. Je conformeren is je aanpassen aan de norm - daarmee worden je eigen opvattingen aan de kant geschoven om aan te sluiten bij de dominante opvatting.
  • Consensus: con-sen-sus (de; zn.); Wederzijdse instemming van betrokken partijen binnen een besluitvormingsproces 2 Organisatie- en besluitvormingsmodel waarbij participatie en gelijkwaardigheid van alle betrokken partijen centraal staat, en dat tot doel heeft een gemeenschappelijke uitkomst te bereiken waar allen zich in kunnen vinden; consensus bereiken. Op grotere schaal wordt consensusbesluitvorming meestal in federatief verband toegepast omdat dit de gelijkwaardigheid en autonomie van de betrokken partijen garandeert - het kan anders de deur open zetten voor nieuwe verstikkende structuren. (Zie ook “Federatie”)
  • Consumentisme: con-su-men-tis-me (het; zn. -isme); Het centraal stellen van het consumeren van goederen. Vaak wordt kapitalisme verward met consumentisme maar hoewel een belangrijk onderdeel van kapitalisme, is het consumeren van goederen of de toegang hiertoe niet per sé voorbehouden tot een kapitalistisch economisch model.
  • Contrarevolutionair: co-tra-re-vo-lu-tio-nair (bn., -e) 1 “Zij die aan de macht zijn, zullen deze verdedigen. Zij die deze macht verloren zijn, zullen deze proberen te heroveren” 2 (de; zn., -en) Persoon die zich actief verzet tegen de revolutie.
  • Corporatisme: cor-po-ra-tis-me (het; zn., -isme); De economische ideologie verbonden aan het fascisme. Het corporatisme stelt dat de bezittende klasse en de werkende klasse een gemeenschappelijk belang hebben - het welvaren van de natie - en daarom zich niet tegen elkaar moeten richten maar zich met elkaar moet verbinden. Daarmee keert het fascisme zich tegen de klassenstrijd, hoewel het er wel pseudo-revolutionaire retoriek op na houdt.
  • Crypto-anarchisme: cryp-to-an-ar-chis-me (het; zn.); Een online of digitale realisatie van het anarchistische ideeën. De term cryto-anarchisme komt van het gebruik van encrypted (vert. versleutelde) software terwijl men informatie verspreidt via bijvb. het internet om op die manier vervolging te voorkomen, en de privacy en politieke vrijheid te beschermen.

D

  • Demo: de-mo (de; afk., zn., 's); Kort voor demonstratie, publieke bijeenkomst - meestal voor politiek doeleinde. Dit kunnen aangemeld zijn en in harmonie met de autoriteiten verlopen of onaangemeld (om wat voor een reden dan ook). In het laatste geval spreekt men vaak van een zgn. wilde demo.
  • Despoot: des-poot (de; zn., -en); 1 Alleenheerser, met de bijgedachte aan willekeur en onredelijkheid - de vraag is uiteraard of er ooit enige redelijkheid zit in alleenheerschappij 2 Heerszuchtig persoon.
  • Despotie: des-po-tie (de; zn., ën); 1 Optreden als een despoot, heerschappij van willekeur 2Rijk of regeringsvorm waarin willekeur heerst.
  • Dialectiek: di-a-lec-tiek (de; zn., -isch); Dialectiek ofwel een redeneervorm die door middel van het gebruik van tegenstellingen naar waarheid probeert te zoeken, dan wel een metafysica, volgens welke zowel het denken als de wereld verandert of ontwikkelt ten gevolge van tegenstellingen (Herakleitos, Hegel, Marx en navolgers). Het begrip heeft een lange geschiedenis in de traditie van het westerse denken.
  • Dictator: dic-ta-tor (de; zn., -en); Van het Latijnse dictare (vert. dicteren, voorschrijven bevelen); 1 Onbeperkt, niet-vorstelijk gezaghebber, m.n. die zich tot heerser over het volk heeft opgeworpen na een burgeroorlog of staatsgreep (al dan niet 'democratisch', zoals in de zomer van 2016 gebeurde in Turkije) en een schrikbewind voert. 2 Iemand die geen tegenspraak duld, heerszuchtig, bazig persoon.
  • Dictatuur: dic-ta-tuur (de; zn., -en); 1 Regering van of door een dictator 2 Een door een dictator geregeerd land. Marx riep op tot de “Dictatuur van het proletariaat” de overname en consolidatie van de staatsmacht door de arbeidersklasse. Deze dictatuur leidde echter keer op keer tot een werkelijke dictatuur die de arbeidersklasse zélf onderwierp op het moment dat de Communistische Partij in naam van diezelfde arbeidersklasse de macht over nam en zichzelf installeerde als alleenheersers. (Zie ook “Dictator”)
  • Directe actie: di-rec-te ac-tie (de; samenstelling, -s); Een actievorm die zich richt op directe verbetering of beëindiging van het bekritiseerde. De mensen die problemen ervaren worden hierbij zelf actief en grijpen in. Voorbeeld: er wordt te hard gereden op de weg voor de school – een directe actie zou zijn als ouders, leerlingen en onderwijzers samen snelheidsremmers aanleggen en een veilige oversteekplaats aanbrengen. Indirecte actie zou zijn dat men actie voert bij de gemeenteraad om die te overtuigen een veiligere verkeerssituatie te realiseren. Stakingen worden vaak ook onder directe actie gerekend omdat de werknemers voor zichzelf opkomen. Voor anarchisten betekend directe actie als zij dan zelf (in bijv. hun eigen opgerichte bond) hun eisen stellen en onderhandelen ipv. dat bijv. de vakbond dit voor hen doet.
  • Directe democratie: di-re-te de-mo-cra-tie (de; samenstelling, -en); De directe deelname van mensen aan de besluitvormingsprocessen, in tegendeel tot representatieve democratie, waarbij representanten worden gekozen die de besluiten maken (meestal zonder terugkoppeling).
  • DIY: (Afk., eng.); “Do it yourself”, vertaald 'doe het zelf'. Een concept dat stimuleert zelf problemen op te lossen - grondprincipe van het anarchisme. Het is ook een concept dat zich richt tegen de consumptie- en wegwerpcultuur. Hierom vaak ook verbonden aan het nieuw leven geven van vermeend afval. In tegenstelling tot een veelgehoorde opvatting is een IKEA-meubel in elkaar zetten niet DIY. Als reactie op DIY bestaat tegenwoordig ook het begrip DIT: “do it together”.
  • Dogma: dog-ma (het; zn., -isme); Sterke afgrenzing van het denken, meestal door een theorie of ideologie. Dogmatisch zijn: enkel binnen de kaders van de eigen theorie of ideologie kunnen of willen denken, het andere daarmee uitsluitend.

E

  • Eigenrichting: ei-gen-rich-ting (de; zn.); 1 Voor eigen rechter spelen 2 Hoewel vaak beperkt gehouden tot het spectrum van de ‘rechtspraak’ valt eigenrichting breder te interpreteren, tot die van het gehele leven, zowel individueel als collectief. Zo werd als een van de redenen voor het kraakverbod in Nederland aangedragen dat kraken een “vorm van eigenrichting is” (en daarmee onwenselijk voor de gevestigde orde). Eigenrichting kan daarmee ook worden geinterpreteert als het in eigen hand nemen van het leven, daar waar de gevestigde orde deze via wetgeving en regulering tracht te monopoliseren - ongeacht of dit in het belang is van de gewone bevolking. (Zie ook “Zelfbestuur”)
  • Eigendom: ei-gen-dom (het; zn., -men); Het eigendom waar Proudhon]] van spreekt in zijn bekende uitspraak “Eigendom is diefstal”, gaat niet over de dagelijkse gebruiksvoorwerpen die men bezit (zie “Bezit”), maar over de middelen voor productie, de basisbehoeften om te leven etc. Door de aanspraak op eigendom eigent de kapitalist zich het recht toe de winsten uit de productie van diegenen die 'zijn' machines gebruiken, wonen in 'zijn' huizen etc. (Zie ook “Bezit” en “Kapitaal”).
  • Emancipatie: e-man-ci-pa-tie (de; zn.); Het streven naar een volwaardige plaats in de samenleving vanuit een achtergestelde positie.
  • Espefismo: es-pe-fis-mo (het; zn.); Anarchistische stroming die vooral in Zuid-Amerika is vertegenwoordigd. Het wordt nog wel eens in verband gebracht met het platformisme (zie “Platformisme”) maar deze verbinding is niet correct. Espefismo baseert zich o.a. op de ideeën van Errico Malatesta, die anarchisten opriep specifiek anarchistische organisaties op te richten - toen nog in de vorm van een partij. Het begrip “Poder Popular” (vert. populaire macht) – een slogan van het Espefismo – is wel aan discussie onderhevig omdat het voor sommige groepen lijkt te betekenen dat men ook de staatsmacht over kan nemen of via deze partij. Dit is echter geen concept binnen deze stroming dat de overhand heeft.
  • Etniciteit: et-ni-ci-teit (de; zn., -en); Sociaal-culturele identiteit die een bepaalde groep mensen of een aantal bevolkingsgroepen verbindt. Het concept wortelt in het gegeven dat de leden van bepaalde bevolkingsgroep zich identificeren met gezamenlijke kenmerken, zoals nationaliteit, stamverwantschap, religie, taal, cultuur of geschiedenis en de daaraan ontleende normen en waarden.
  • Extremisme: ex-tre-mis-me (zn., het, -isme); Van extreem; 1 Te ver (willen) gaan; wat “te ver” is, wordt doorgaans niet door de persoon of groepering die als extremist wordt gelabeld gedefineerd 2 Term die doorgaans iemand of een groepering wordt toegewezen en niet zelf wordt verkozen. De term wordt meestal gebruikt om in diskrediet te brengen of verdeeldheid te creëren - door bijv. distantieering af te dwingen. In de media worden het begrip extremisme en radicalisme vaak als synoniem gebruikt, dit terwijl er een wezenlijk verschil is tussen de twee. (Zie ook “Radicalisme”)

F

  • Fascisme: fas-cis-me (het; vlg. -isme); Van het Italiaanse fascismo, gevormd vanuit het Latijnse fasces, een bundel takken met een bijl 1 Politiek systeem berustend op ultranationalistische corporatististische, autoritaire beginselen. In aard sterk anti-communistisch, in retoriek pseudo-revolutionair om zo de arbeidersklasse weg te leiden van communistische ideeën. 2 Politieke filosifie of richting die het fascisme voorstaat, rep. probeert te verwezenlijken. (Zie ook “Corporatisme”)
  • Federalisme: Fe-de-ra-lis-me (het; zn.); organisatiemodel waarbinnen groepen of organisaties een samenwerkingsverband realiseren. De definitie binnen van federalisme verschilt binnen het anarchisme t.o.v. de gangbare opvatting - van origine is het zo dat de besluiten in de federatie bindend zijn voor de gefedereerde onderdelen. Dit is binnen het anarchisme echter eigenlijk bijna nooit het geval. Op deze wijze zou namelijk een té centralistisch karakter krijgen en de autonomie van de gefedereerde onderdelen schaden. Het federalisme waarover binnen de anarchistische beweging gesproken wordt is daarmee in feite eerder aan te duiden als confederalisme (Zie ook. “Confederalisme”)
  • Federatie: fe-de-ra-tie (de; zn.); organisatie gebaseerd op een (con)federalistisch model. Hedendaagse voorbeelden van federaties zijn de Föderation Deutshsprachicher Anarchist*innen (FdA) en de Internationale van Anarchistische Federaties (IFA). (Zie ook “Federalisme” en “Confederalisme”)
  • Feminisme: fe-mi-nis-me (het; zn. -isme); Maatschappijkritisch streven dat zich verzet tegen geslachtshiërarchieën als de benadeling, onderdrukking en uitbuiting van vrouwen. Er zijn binnen het feminisme verschillende opvattingen over doelen en hoe deze te bereiken. Zo is er een verschil van mening of werkelijke gelijkheid tussen man en vrouw wel behaald kan worden binnen een hiërarchische en ongelijke samenleving als de huidige. Postfeminisme wijst de binaire (tweeslachtige) indeling van mensen in 'man' en 'vrouw' af, en stelt dat dit onderscheid buiten biologisch, vooral een maatschappelijk construct is. Wij vrouwen willen dragen de zware last van de macht die mannen over vele generaties van barbarij over ons hebben geworpen. Het feminisme is erop gericht zich van deze last te bevrijden en niet, om het domein van het 'sterkere geslacht' te veroveren. Wij willen ons niet vermannelijken. - Soledad Gustavo (Zie ook “Anarcha-feminisme” en “Misogenie”)
  • Feodaal: fe-o-daal (bn., feodalisme); 1 Tot het leenstelsel behorend, pré-kapitalistisch maatschappelijk systeem; een feodale maatschappij; Waar overheidsgezag wordt uitgeoefend volgens een rechtsbetrekking tussen 'heer' (adel) en 'horigen' (bezitslozen). Grond behoord de adel en de horigen bewerken deze. Zij mogen hierop en hiervan leven, maar zijn het grootste deel hetgeen het land opbrengt verschuldigd aan de grondbezitter - het is immers diens grond 2 Herinnerend aan het oude leenstelsel: feodale begrippen; het gaat er in het bestuur nogal feodaal aan toe.

G

  • Gender: gen-der (het; zn., -s); (Sociale) geslachtsidentiteit. Deze hoeft niet gelijk te zijn aan het bij de geboorte toegewezen geslacht of het biologische geslacht.
  • Gentrification: (de; zn., Engels); Van het Engelse 'Gentry', burgerij; letterlijk de verburgering van de stad; omschrijving voor het proces van opwaardering van een stad of stadsdeel, meestal bewust ingezet door overheden en investeerders. De herstructurering van woonwijken gebeurt door het stimuleren van de toestroom van rijkere bewoners. Sociale huurwoningen worden gesloopt en maar gedeeltelijk teruggebouwd, een deel is koopwoningen. Hierdoor stijgen de lasten en armere inwoners, die deze lasten niet meer kunnen opbrengen worden verdrongen. Vaak zijn in het begin van dit proces creatieve en culturele alternatievelingen uit bijv. het studentenmilieu de (onbedoelde) voorhoede van dit proces.
  • Grassroots: grass-roots (eng., bn., Engels); Letterlijk vertaald “graswortel”. Een beweging of organisatie die van onderop wordt opgebouwd en horizontaal is georganiseerd, zoals het netwerk van een grasveld. In deze zin het tegenovergestelde van top-down-organisatie. (Zie ook “Hiërarchie”)

H

  • Heersende Klasse: heer-sen-de klas-se (de; zn., samenstelling); Sociale klasse die de politieke en vaak ook economische heerschappij heeft over de samenleving. Deze heersende klasse bestaat tegenover een of meerdere gedomineerde klassen. De machtsgelijkheid die Marx voorspelde te ontstaan nadat de klassenstrijd de daaropvolgende dictatuur van het proletariaat had geïnstalleerd leidde tot niets anders dan een nieuwe heersende klasse - dit in tegenstelling tot de afschaffing van overheersing.
  • Hiërarchie: hië-rar-chie (de; zn., -ën); Van het Griekse ἱεραρχία (hierarchia), “heersen van een hoge priester”, van ἱεράρχης hierarkhes, “leider van heilige rituelen”; een organisatie van onderdelen (objecten, namen, waardes, categoriën, mensen etc.) waarbij elk onderdeel gerepresenteerd wordt als “boven”, “gelijk” of “onder” de andere. In maatschappelijke termen betekend dit een maatschappelijke ordening waar verschillende hiërarchieën bepalen of iemand meer of minder maatschappelijke invloed heeft - bijv. economisch, politiek of sociaal.
  • Historisch materialisme: his-to-risch ma-te-ria-lis-me (het; zn. samenstelling); Geschiedbeschouwing die vooral in het marxisme wordt gebruikt waarbij deze in grote mate bepaald door materiële, economische, omstandigheden; deze worden beschouwd als de oorzaak voor de sociale verhoudingen en de verdeling van maatschappijen in klassen, die voortdurend strijd met elkaar leveren. Marx presenteerde zijn geschiedkundig werk op dialectische wijze, in navolging van Hegel, maar waar Hegel de geschiedenis als een strijd tussen tegengestelde ideeën beschouwt, ziet Marx de mensen zelf aan het werk, verenigd in klassen die onderling strijden om hun economische positie te behouden of verdedigen. Anarchistische denkers hebben meermaals kritiek geleverd op deze marxistische benadering omdat de ontwikkeling van de geschiedenis daarbinnen als een vooraf vaststaande ontwikkeling wordt gepresenteerd. De kritiek baseert zich er op dat daarmee het eigen handelingsvermogen om de ontwikkeling van de geschiedenis te veranderen wordt ontnomen - men verwordt tot een toeschouwer van de verandering in plaats van een zelfbewust actief handelende mens die de ontwikkeling van de revolutie zelf kan bepalen.
  • Humanisme: hu-ma-nis-me (het; zn.); Van het Latijnse humanus (menselijk), levensbeschouwing die zich niet beroept op een goddelijke openbaring, maar vertrouwt op het vermogen van de mens om zelf het leven zin te geven, zich baserend op universele waarden zoals menselijke waardigheid, mondigheid, vrijheid, tolerantie en verantwoordelijkheid.

I

  • Informeel: in-for-meel (bn., -e); 1 Niet officieel, de informele economie 2 Voorlopig 3 Vrijblijvend 4 Zonder vastgelegde regels of voorwaarden. Informele hiërarchie: ook daar waar men uitspreekt dat men gelijk is kunnen leiders zijn, zonder dat dit vastgelegd is. Dit kan ook voor informele libertaire structuren gelden.
  • Internationalisme: in-ter-na-tio-na-lis-me (het; vgl. - isme); Het diepe begrip dat de strijd voor vrijheid en tegen overheersing voor succes niet anders kan dan zich internationaal te manifesteren - de werkende klasse in verschillende landen heeft meer gemeen met elkaar dan met de bezittende klasse in eigen land. Ze worden beiden uitgebuit en hebben beiden belang bij het overwinnen van grenzen via welke zij tegen elkaar worden uitgespeeld, zowel in oorlogstijd als bij de dagelijkse arbeid. Uitgebuite vermoordt uitgebuite of een fabriek wordt verplaatst naar een land met een beter uit te buiten volk - kapitaal organiseert zich internationaal en hierom zal een nationale revolutie niet anders dan gedoemd zijn te falen.
  • Internationale: in-ter-na-tio-na-le (de; zn., -s); Internationale organisatie van sociaal-revolutionairen. De Eerste Internationale, de zogenaamde “International Workingmen's Association” (vert. Internationale Arbeiders Associatie), kortweg “internationale”, werd opgericht in 1864 in Londen en was een internationaal netwerk. In eerste instantie bracht de Internationale socialisten van vele verschillende stromingen bijeen. Na het uiteenvallen van deze organisatie na een interne machtsstrijd volgden er nog vele andere “Internationales”. Elk met een eigen interpretatie van de correcte weg naar de socialistische samenleving: Tweede Internationale: internationale vereniging van politieke partijen en vakbonden, opgericht 14 juli 1889 in Parijs; Derde Internationale: de Communistische Internationale, afk. Komintern, was een wereldwijd samenwerkingsverband van communistische partijen onder aanvoering van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie (CPSU); Vierde Internationale: door Trotski (na zijn verbanning uit de Sovjet-Unie) gesticht in 1938, te Genève. Tegenwoordig bestaan er enkele tientallen grotere en kleinere trotskistische koepelorganisaties die zichzelf als opvolger van de oorspronkelijke Vierde Internationale beschouwen.
  • Imperialisme: im-pe-ri-a-lis-me (het; zn.); Van het Latijnse imperium, vert. wereldrijk of opperheerschappij; Imperialisme is het nastreven van een zo groot, machtig en welvarend mogelijk rijk - eigenlijk de doeleinden van elke natiestaat. Dit gaat over het algemeen gepaard met de ongebreidelde drang tot de uitbreiding buiten de eigen landsgrenzen en de onderwerping van andere gebieden en volkeren ten bate van het betreffende rijk. Hieruit voort komt ook het kolonialisme.
  • Intersectionaliteit: in-ter-sec-tio-na-li-teit (bn.); Van het Engelse 'intersectie', kruispunt of snijvlak. Sociale theorie waarbij aandacht wordt besteed aan de verschillende identiteiten die een persoon heeft (of juist niet heeft), die gezamenlijk van invloed zijn op de maatschappelijke positie van een persoon of bevolkingsgroep. Intersectionaliteit gaat er van uit dat discriminatie als seksisme, racisme, homo- of transfobie, van een handicap of iemands klassenpositie niet op zichzelf staan maar vaak gestapeld zijn. Zo kan een welgestelde vrouw bijvoorbeeld nog steeds beter af zijn dan een vrouw uit een armere klasse. De economische positie van de laatste kan mogelijk sterk van invloed zijn op de emancipatorische mogelijkheden die iemand heeft.

J

  • Jakobijnen: ja-ko-bij-nen (de; meerv., zn.); Uit het Frans: Jacobins, zij vormden tijdens de Franse Revolutie van 1789 tot 1794 een centralistische, hervormingsgezinde beweging, die zich inzette voor meer sociale rechtvaardigheid, volkssoevereiniteit en de ondeelbaarheid van de Franse Republiek. Het politieke model van de Jacobijnen zou later voor de Bolsjewiki inspiratie zijn - met alle gevolgen van dien.

K

  • Kapitaal: ka-pi-taal (het; zn., -isme); 1 Alle aan de productie deelhebbende en ingezette middelen als geld, machines, arbeidskracht, grondstoffen, (en in steeds grotere maten) kennis etc. Ook de meerwaarde die hiermee kan worden geproduceerd wordt hiertoe gerekend, wederom met arbeid, productie en handel 2 De geldwaarde van de kapitaalgoederen van een persoon, bedrijf of maatschappij 3 Titel van één van de belangrijkste analyses van het kapitalistische economische model, “Das Kapital” (vert. Het Kapitaal”) van Karl Marx. “Het kapitaal is dan ook geen persoonlijke, maar een maatschappelijke macht” - K. Marx, F. Engels, Communistisch Manifest, 1848 (Zie ook “Eigendom” en “Kapitalisme”)
  • Kapitalisme: ka-pi-ta-lis-me (het; zn.); Economisch stelsel gebaseerd op het privébezit van productiemiddelen, die als kapitaal, een bron van inkomsten zijn voor de bezitter (de kapitalist). Deze productiemiddelen worden over het algemeen gehanteerd door werknemers (bezitslozen) die hun arbeid verkopen. Winst wordt gemaakt door te zorgen dat de werknemers minder betaald krijgen dan de feitelijke meerwaarde die zij met hun arbeid produceren.
  • Klasse: klas-se (de; zn., -n); In de sociaal-economische ordering van de samenleving de definitie van de verschillende treden van de trap - bijv. heersende of werkende klasse. De klassen zelf zijn echter geen homogene groepen. Ook binnen de klasse kunnen ongelijkheden bestaan, zoals de man-vrouw verhouding of door racisme. Klasse is daarmee wel een belangrijke factor om in acht te nemen bij het bekijken van de sociale ongelijkheid maar zeker niet allesomvattend.
  • Klassenstrijd: klas-sen-strijd (de; zn.); 1 Het conflict dat tussen de verschillende klassen wordt uitgevochten door de tegenstellingen die zij hebben 2 De strijd die moet worden gestreden om een klassenloze samenleving te bereiken.
  • Kleinburgerlijk: klein-bur-ger-lijk (bn.); 1 Tot de lage middenklasse behorende 2 Hoewel eigenlijk geen onderdeel van, zich moreel en materieel metende aan de bezittende klasse - in opvattingen vaak de belangen van de bezittende klasse ondersteunend. De kleinburgerlijke ideaal wordt dagelijks op televisie tentoongesteld en gevoed in realityshows over het leven van de rijken en machtigen.
  • Kolonialisme: ko-lo-ni-a-lis-me (het; zn., -isme); 1 “Jouw grond is van mij; jij werkt voor mij; jij bent van mij.” In de geschiedenis reisden legers naar verre gebieden om land en bevolking met bruut geweld te onderwerpen en voor hen rijkdommen te laten vergaren. Dit van Noord- en Zuid-Amerika tot Afrika en Azië. Toch is het niet enkel een ‘Westerse’ aangelegenheid maar eerder een staatsaangelegenheid. De gevolgen van het kolonialisme zijn nog altijd sterk zichtbaar in de manier waarop welvaart en invloed in de wereld verdeeld zijn. Hoewel kolonialisme in expliciete vorm iets van het verleden lijkt, zou je kunnen stellen dat met de opkomst van het wereldwijde kapitalisme er sprake is van een vorm van neokolonialisme. (Zie ook “Imperialisme”)

L

  • Landarbeider: land-ar-bei-der (de; zn., -s); In tegenstelling tot de boer, is de landarbeider geen bezitter van de grond die zij bewerkt. De landarbeider is in feite tot het boeren- of tuindersbedrijf, wat de fabrieksarbeider is tot de fabriek: meestal werkend voor een uur of stukloon in dienst van de grondbezitter, de boer. (Zie ook “Boer”)
  • Leninisme: le-nin-isme (het; zn., -isme); Ook wel Marxistisch-Leninisme of Bolsjewisme; Marxistische richting genoemd naar Russisch politiek leider Vladimir Lenin (1870-1924) die er naar streeft om via de verovering van de staat de socialistische wereldrevolutie te ontketenen. (Zie ook “Bolsjewisme”)
  • LGBTQ: (afk.); Lesbian-Gay-Bisexual-Transgender-Queer
  • Libertair: li-ber-tair (bn., adj., -e); 1 Een ander woord voor 'vrij' 2 Toevoeging ter aanduiding van een houding, gedachte of grondbeginsel dat men nastreeft, in de basis zonder staat; vrij van de staat 3 Vaak als aanduiding van het anarchisme gebruikt - libertair-communisme is simpelweg een mogelijke andere aanduiding voor het anarcho-communisme. De anarchistische arbeidersbeweging in het Frankrijk van de 19de en 20ste eeuw noemde zich in eerste instantie 'libertair', hier wordt de term dan ook nog steeds veel gebruikt - zoals de krant Le Monde Libertaire. Wordt soms ook gebruikt om het beladen begrippen als anarchisme of anarchist te vermijden. Hoewel slechts een letter verschillend, moet het woord libertair niet verward worden met het libertarisme, dat niets anders is dan radicaal kapitalisme 4 Ander woord voor anarchist of vrij communist.
  • Libertarisme: li-ber-ta-ris-me (het; zn.); politieke filosofie waarbij vrijheid door middel van individuele soevereiniteit en het non-agressieprincipe centraal staan. Op economisch gebied stellen libertariërs privaat bezit als fundamenteel onderdeel van deze individuele soevereiniteit maar mee zij meestal aanhangers zijn van 'vrije markt' en kapitalisme. Libertariërs zijn voor een zo klein mogelijke overheid óf de afschaffing ervan in het geheel; waarbij de markt de belangrijkste maatschappelijke regulering zou moeten realiseren. (Zie ook “Kapitalisme” en “Libertair”)

M

  • Maoïsme: ma-o-is-me (het; zn., -isme); 1 Autoritaire politieke stroming die zich baseert op uitleg van het Marxistisch-Leninistisme volgens Mao Zedong. Het Maoïsme richtte zich tot het stedelijke proletariaat, de boeren en de nationale burgerij, dit in tegenstelling tot het beleid van de Sovjet-Unie en de communistische partijen in West-Europa, dat zich meer concentreerde op arbeiders in de industrie. In Nederland had het Maoïsme vooral in de jaren '60 en '70 veel invloed binnen de socialistische bewegingen. Wereldwijd bestaan nog steeds de nodige Maoïstische guerrillagroepen, bijv. in de Filepijnen, India, Nepal.
  • Martelaar: mar-te-laar (de; zn., -s); Iemand die zijn of haar leven offert voor diens geloof of overtuiging.
  • Marxisme: marx-is-me (het; zn., -isme); Communistische theorie, genoemd naar de Duitse filosoof Karl Marx (1818-1883). Het is de moeite waard de oorsprong te onderzoeken van Marx zijn uitspraak “Het enige dat ik weet, is dat ik geen Marxist ben”, dat waarschijnlijk een reactie was op de meer opportunistische en reformistische elementen in de socialistische en communistische beweging in zijn tijd. Tegenwoordig zijn er vele verschillende politieke stromingen die zich baseren op de ideeën van Marx, van het anti-autoritaire Autonoom-Marxisme tot het extreem autoritaire Stalinisme.
  • Middenklasse: mid-den-klas-se (de; zn., -n); Maatschappelijke klasse die het midden in neemt tussen de lagere (arbeidersklasse) en hogere klasse (bezittende klasse) - in praktijk vaak economisch welvarender en hoger opgeleid. Syn. middenstand. (Zie ook “Klasse”)
  • Militant: mi-li-tant (bn., -e,-er, -st); 1 Strijdlustig of strijdbaar, synoniem voor aanvallend: militant van aard; een militante houding; 2 (zn., de, -en) Persoonsaanduiding voor iemand die zich actief strijdbaar inzet voor diens idealen, al dan niet als lid van een organisatie of partij.
  • Militarisme: mi-li-ta-ris-me (het; zn., -isme); 1 Fanatieke, positieve houding ten opzichte van de militaire geest en al wat tot het militaire behoort; 2 Overwegende invloed van de stand der militairen op de samenleving; 3 opvatting die deze militaire invloed wenselijk acht.
  • Misogenie: mi-so-ge-nie (de; zn.); Ander woord voor vrouwenhaat; Het begrip kan zowel individueel als institutioneel worden toegepast. Individueel: een persoonlijke houding, een haat of misprijzen voor vrouwen, hetzij uitdrukkelijk en open, hetzij meer subtiel. Institutioneel: achterstelling van vrouwen in het burgerlijk recht zoals dat vrouwen geen stemrecht hadden, na het huwelijk als onbekwaam werden geacht of, zoals nog bestaat in een aantal Arabische landen en in het kerkelijk recht.
  • Monarchie: mo-nar-chie (de; zn., -ën); Van het Griekse monos (vert. één of enkeling); Regeringsvorm gebaseerd op de alleenheerschappij en absolutie van een monarch (zij het een koning of keizer), vaak met overerfelijke rechten op basis van bloedlijn (van heerser op kind). In deze zin zou de republieken Noord-Korea evenwel als monarchie bestempeld kunnen worden.
  • Monarchist: mo-nar-chist (de; zn,. -en); Aanhanger van de monarchie. (Zie ook 'Monarchie')

N

  • Nationalisme: na-tio-na-lis-me (het; zn. -n); Het aanhangen van het bestaan van de natie (met de opvatting dat deze een natuurgegeven is en altijd al daar was).Nationalisme is de opvatting dat het “eigen volk”, en de eigen staat, boven alle anderen uitverkoren is. Nationalisme verondersteld dat “afkomst” of etniciteit belangrijker is dan klassentegenstellingen en schuiven collectieve verelandung. Hierom hanteren nationalistische bewegingen vaak pseudo-revolutionaire slogans maar voorstaan eerder een corporatistische politiek en schuiven problemen af op minderheden en politieke tegenstanders in de samenleving. In het dagelijks gebruik wordt het begrip vaak gelijkgesteld met chauvinisme. (Zie ook “Volk” en “Corporatisme”)
  • Nationalisatie: na-tio-na-li-sa-tie (de; zn., -s); Het onder bestuur van de staat brengen van de economie of delen van de economie. De staat wordt eigenaar van de onderneming, de werknemers komen daarmee voor de staat te werken. Het omgekeerde van dit proces is privatisering; Libertair communisten en anarchisten menen echter dat de economie moet worden gesocialiseerd, ter beschikking van de werkende klasse. Nationalisatie is niet noodzakelijk socialisatie aangezien, de winsten niet altijd toekomen aan de arbeiders, de schulden echter via belastingen wel. Tevens blijven de arbeiders blijven in een afhankelijke positie, de staat blijft de baas. (Zie ook “Socialisatie”, “Privatiseren”)
  • Newspeak: new-speak (de; zn., Engels); Vertaald: nieuwspraak; Wanneer woorden bewust van betekenis ontdaan worden, of zelfs geheel een tegenovergestelde betekenis worden toegedeeld. De term komt uit het boek 1984 van George Orwell. Hoewel Orwell’s dystopie slechts tot 1984 reikte, is in 2016 fictie ingehaald door de werkelijkheid - het voormalige Minsterie van Oorlog heet inmiddels het Minsterie van Defensie, verzetsstrijders zijn terroristen en liefdadigheid voor geillegaliseerden tracht men tot een misdaad te maken. Wellicht is Newspeak iets van alle tijden, het heeft echter met de reikwijdte van moderne technologie enorm aan invloed gewonnen.
  • Neoliberalisme: ne-o-li-be-ra-lis-me (het; zn., -isme); Vanaf de jaren tachtig internationaal overheersende economische beleid in de kapitalistische wereldeconomie. Ideologie die de liberale opvatting van een zich terugtrekkende staat vooral wilt toepassen op de economische sfeer - resulterend in de zogenaamde “vrije markt” waarbij de bezitter vrij is te doen wat deze wilt. Het resultaat is echter dat diegene die niets bezitten aan de grillen van de bezittende klasse zijn overgeleverd, wat uiteindelijk de economische en maatschappelijke ongelijkheid alleen maar verder vergroot. Dit laissez-faire-achtige beleid wordt gekenmerkt door privatisering, bezuinigingen op sociale voorzieningen, deregulering, vrijhandel, en vermindering van overheidsuitgaven, om zo de rol van de publieke sector te verkleinen. Ideologisch is het neoliberalisme schatplichtig aan de Chicago School of Economics waar Milton Friedman doceerde.
  • Nihilisme: ni-hi-lis-me (het; zn.,-isme); In tegenstelling tot het dagelijks gebruik van het woord is het nihilisme een anti-politieke stroming uit het Rusland van de 19de eeuw. Deze proto-socialistische stroming kende een sterk anti-autoritair en militant karakter. Uitgebreide geschiedkundige omschrijvingen over deze beweging zijn te vinden in de eerste hoofdstukken van De Ongekende Revolutie van Volin en De Russische Ondergrondse van Stepnjak.

O

  • Oligarch: o-li-garch (de; zn., -en); Hoofd van een oligarchie, vaak de macht verworven via het verwerven van excessieve rijkdommen. (Zie ook “Oligarchie”)
  • Oligarchie: o-li-gar-chie (de; zn., ën); Regering van een persoon of een kleine groep mensen die behoren tot een zekere bevoorrechte klasse of stand, buiten deze kleine groep is aan niemand enig direct of indirect aandeel in het bestuur vergund.
  • Opstand: op-stand (de; zn., -en); Algemene oproer, verzet op grote schaal, m.n. tegen het wettig gezag: in opstand komen, opstand maken; (uitdr.) tegen iets in opstand komen, zich er niet bij kunnen neerleggen, uiting geven aan zijn afkeer; (uitdr.) mijn maag komt ertegen in opstand, diepe walging ervaren. Etymologisch verwant aan; opstaan, mens-wording, (lat.): emancipare. Wordt vaak verward met revolutie, is daar nochtans scherp van te onderscheiden; “Opstand is de verovering van vrijheid, maar revolutie is de fundering van de bevrijde mens (H. Arendt). Vgl. opstandig (bijv nmw); natuurlijke staat van de mens.
  • Orientalisme: o-ri-en-ta-lis-me (het; zn., -isme); Oorspronkelijk een kunst- en literatuurstroming welke een geromantiseerd en avonturistisch beeld schepte van 'de orient' - een term ter aanduiding van het Midden-Oosten en Azië. In 1978 kwam het boek 'Orientalism' van Edward Said uit dat een nieuwe kritische interpretatie van het begrip introduceerde. Said stelde dat de manier waarop het Midden-Oosten en Azië vanuit het Westen aan de hand van stereotypen worden weergegeven in media en entertainment, een beeld geschapen hebben dat uiteindelijk ten dienste staat van overheersing van deze gebieden door het Westen. Het boek niet zonder controversie.

P

  • Parlementair: par-le-men-tair (bn., -isme); van parlement, politiek die plaats vindt binnen de arena van het parlement - de regering. De plek waar de revolutie niét plaats zal vinden.
  • Patriarchaat: pa-tri-ar-chaat (het; zn.); Van het Latijnse pater - vader en arche - heersen, grond; In de moderne maatschappijanalyse staat het patriarchaat voor een sociale gemeenschap waarin de man de dominante rol heeft ingenomen; het glazen plafond voor vrouwen is een kenmerk van de patriarchale samenleving. Patriarchie staat voor ongelijkheid op basis van sekseverschillen. Feminisme bekritiseert het ongefundeerde patriarchaat. Onze huidige maatschappij wordt gekenmerkt door een sterk patriarchaat met ingebouwde vrouwenongelijkheid.
  • Picketline: pi-cket-line (de; eng. zn., -s); Stakingslinie, dwz. een ketting van stakers voor de onderneming waar gestaakt wordt - meestal met protestborden, spandoeken etc. - om andere medewerkers en leveranciers de toegang te ontzeggen.
  • Platformisme: plat-for-mis-me, (het; zn., -isme); Anarcho-communistische stroming die terug te leiden is op het document 'Organisatorisch Platform van Revolutionaire Anarchisten' opgesteld door o.a. Ida Mett, Piotr Arshinov en Nestor Makhno. Het Platform opereerde onder de slogan “Eenheid in theorie, Eenheid in actie”, waarmee het de nodige kritiek ontving van anarchisten als Volin en Errico Malatesta. Platformistische groepen zijn vooral verenigd via het Anarkismo-netwerk.
  • Polyamorie: po-ly-amo-rie (de; zn.); Polyamorie (van het Griekse πολύ poly, “veel, meerdere”, en Latijnse amor, “liefde”) staat voor een levenswijze waarin men open staat voor het hebben van meer dan één liefdesrelatie tegelijkertijd, waarbij ruimte is voor seksualiteit, op de voorwaarde dat dit gebeurt in openheid en eerlijkheid en met medeweten en instemming van alle betrokkenen. Er wordt een groot belang gehecht aan ethiek en goede communicatie tussen partners en vaak ook met de partners van partners. Polyamorie onderscheidt zich daarmee nadrukkelijk van vreemdgaan of overspel.
  • Precair: pre-cair (bn.); Afgeleid van het Latijnse precarius = door bidden afgesmeekt, voorlopig uit gunst verleend. Zij bevindt zich in een precaire situatie, in een kwetsbare of afhankelijke positie verkeren. Wordt tegenwoordig vaak gebruikt om de sociaal-economische positie van iemand te omschrijven, meestal in relatie tot werk en inkomen of zorg - door bijv. flexibele arbeidscontracten of niet toereikende zorgbudgetten.
  • Precariaat: pre-ca-ri-aat (het; zn.); Groep/klasse die afhankelijk is van de goedheid van anderen, groep/klasse die in onzekere, kwetsbare, hachelijke omstandigheden leeft. Neoliberale regimes leggen zogenoemde verantwoordelijkheden voor het levenslot terug bij de geregeerden. Door verschillen in afkomst, etniciteit, rijkdom, opleiding, toegang tot invloedrijke personen, zijn bepaalde groepen mensen veel minder goed in staat om zich te wapenen tegen de onzekerheden van het neoliberale regime dan anderen. Doordat de kwetsbaarheid en hachelijke omstandigheden per persoon verschillen, is niet op eerste gezicht duidelijk dat deze kwetsbaarheid en onzekerheid een nieuw soort ongelijkheid in de samenleving tot stand brengt. Het scheppen van een precariaat vergemakkelijkt het voor neoliberale machthebbers om de ongelijkheid in de samenleving te bevorderen; Vergelijk: Als klassenbegrip voor sommigen de opvolger van het proletariaat(zie “Proletariaat”), voor anderen een toestand die door de klassen heen loopt ; Tegenovergesteld aan: sociale zekerheden, vertrouwen.
  • Prefiguratie: pre-fi-gu-ra-tie (de; zn., -s); In de handeling de wereld weerspiegelend die geschapen zal worden. Prefiguratieve politiek is dus op een manier georganiseerd die de toekomstige maatschappelijke organisatie representeert. Voor anarchisten een belangrijk uitgangspunt die maakt dat anarchistische groepen zich horizontaal organiseren.
  • Privatising: pri-va-ti-se-ring (de; zn., -en); Het in private handen brengen van publiek eigendom of een staatsbedrijf. De betreffende instelling wordt hierdoor een private onderneming. Niet meer de maatschappelijke taak staat centraal, maar het maken van financiële winst. Het eigendomsrecht maakt dat de meerwaarde aan de kapitaalbezitter toekomt in plaats van aan degene die de arbeidskracht levert. In Nederland o.a. gebeurd met de Nederlandse Spoorwegen (NS), post- en telefoondienst PPT-Telecom en in steed s grotere maten met de zorg. (Zie ook “Eigendom” en “Kapitalisme”)
  • Privilege: pri-vi-lege (het; zn.); Het hebben van een specifiek voorrecht of voordeel ten opzichte van anderen die dit voorrecht of voordeel niet hebben - bijv. een recht of onaantastbaarheid gebonden aan een maatschappelijke positie of functie. Dit kan zowel gelden voor een individu als voor een hele bevolkingsgroep.
  • Productiemiddelen: pro-duc-tie-mid-de-len (de; zn.); 1 De middelen die nodig zijn om productie te draaien in bijvb. een werkplaats, fabriek, kantoor of om het land te bewerken. 2 Element uit het begrip 'kapitaal'. (Zie ook “Kapitaal”, “Eigendom” en “Kapitalisme”)
  • Proletariër: pro-le-ta-ri-ër, (de; zn., -s); Van het Latijnse proletarius, proles = wat volgroeid is, spruit, kroost; en alascere - opgroeien; vgl. alere = voeden, grootbrengen; Letterlijke betekenis: burger van de laagste sociale laag die in het Romeinse Rijk niet de staat diende door zijn vermogen, maar alleen door zijn kinderen. Iemand zonder bezit. Voor de staat is het nut van deze mensen beperkt tot werken en voortplanten, oftewel; nieuwe werkers of soldaten voortbrengen. Karl Marx gebruikt “proletariaat” om alle mensen die op een of andere wijze worden onderdrukt en uitgebuit te verenigen tot een revolutionaire kracht. Afgeleid van ‘proleet’ (scheldwoord): onbeschaafd en min persoon. Vooral te gebruiken tegen bestuurders, bewindvoerders, investeerders en bankiers.

Q

  • Queer: queer (bn., Engels); Vertaald 'vreemd' of 'niet te definiëren'. Betrek zich op mensen die zich aan maatschappelijke normen, vooral de heteroseksuele norm, onttrekken - bijv. homo's, lesbiennes, transgenders etc. maar ook polyamorie bij bijv. heteroseksuelen. Queer stelt daarbij niet zozeer de overeenkomst tussen deze verschillende groepen op de voorgrond, maar eerder de veelvoud en verscheidenheid. Queer, van raar, valt daarom te interpreteren als 'niet in een hokje te duwen' of anders dan de (huidige) norm.

R

  • Radicaal: ra-di-caal (bn.); 1 Van het Latijnse radix, vert. 'wortel'. Een radicale oplossing voor een probleem: het probleem bij de wortel aanpakken in plaats van bij diens eerste zichtbare oppervlakkige verschijnselen. 2 (de; zn., -en) Aanduiding voor een aanhanger van het radicalisme.
  • Racial profiling: ra-ci-al pro-fi-ling (het; zn. samenstelling, Engels); 1 Het beoordelen, verdenken en gericht handelen tegen een persoon gebaseerd op basis van bepaalde uiterlijke (raciale) kenmerken en de vooroordelen die daaraan worden toegekend. De term wordt gehanteerd voor de praktijk van de politie in het beoordelen van verdachten en is gebaseerd op een uitgewerkte theorie binnen het politieapparaat.
  • Racisme: ra-cis-me (het; zn., -isme; 1 Discriminatie op basis van huidskleur of uiterlijke kenmerken en in de praktijk vaak ook (veronderstelde) afkomst of etniciteit 2 Opvatting dat het ene “ras” superieur is aan het andere en, daaruit voortvloeiend, dat ten aanzien van het ene ras andere maatstaven (mogen) worden opgelegd dan ten aanzien van het andere. De term “ras” is beladen, en in de wetenschap wordt echter nog slechts van één menselijk ras gesproken, de homo sapiens. Het rassenbegrip vaak aangepast aan de wensen van de heersende macht. Hierbij worden pseudowetenschappelijke argumenten gebruikt voor sociaal-maatschappelijke doeleinden - meestal om een bepaalde bevolkingsgroep sociaal gedrag aan te meten met daarop volgende repressieve of uitsluitende maatregelen. Denk hierbij tegenwoordig bijvoorbeeld aan racial profiling dat wijd wordt toegepast binnen de politie.
  • Reactionair: re-ac-tio-nair (bn.); Aanduiding voor de reactie op revolutionaire bewegingen die tot doel heeft deze te stoppen, te dempen. 'De reactie' is de aanduiding voor zowel contrarevolutionaire groeperingen als anti-revolutionaire elementen binnen het leger, de politiek, de bezittende klasse als voor rechtse en conservatieve elementen in de samenleving die zich tegen de revolutie keren.
  • Recht: Betekend over het algemeen opvatting van waarden en normen die binnen een samenleving spelen. Veelal vastgelegd in een veelvoud van regels en wetten. Er is daarbij ook een discrepantie tussen dat wat de samenleving goed vindt, en dat wat de staat belangrijk vindt te handhaven. Het staatsdenken heeft namelijk de neiging deze stelling om te draaien, dat wat via de wet vast is gelegd is rechtvaardig. Deze logica is door anarchisten altijd fel bestreden. Wat als rechtvaardig wordt ervaren, kan tussen verschillende samenlevingen verschillen - recht ziet er daarmee in een anarchistische samenleving anders uit. Het is boven alles niet correct, dat wat momenteel onder recht valt, rechtvaardig is: op de eerste plaats wordt de bezittende klasse beschermd, bestaande eigendomsverhoudingen worden gesanctioneerd, alsof deze het waard zijn om tegen elke prijs overeind te houden en gewaard moeten blijven. - Clara Wichmann, (Zie ook “Transformatie justice”)
  • Reformisme: re-for-mis-me (het; zn., -isme); “Revolutie? Nee joh, het fundament is immers goed, er moet alleen hier en daar wat worden aangepast. Laat dat maar over aan de professionals. We vinden door te onderhandelen wel een middenweg.”, een exemplarisch voorbeeld van reformisme en waar dit toe leidt is de sociaal-democratie.
  • Regeren: re-ge-ren (ww.); De eigen wil uitoefenen op bijv. binnen een land, hierbij wordt deze wil opgelegd wordt aan anderen. Ook thuis kan geregeerd worden. Zie ook de bekende quote 'Geregeerd worden is' van Pierre-Joseph Proudhon.
  • Ressentiment: res-sen-ti-ment (het; zn.); Van het Franse ressentiment; diep gevoelen, wrok; Letterlijke betekenis, “rest” of “nieuw” gevoel. Emotie die opsteekt als ervaren wordt dat door verandering de eigen positie verslechterd, zonder dat doorgrond wordt wat daarvan de oorzaak is. De wrok die wakker wordt geroepen door omstandigheden die buiten de eigen invloedssfeer liggen. Ressentiment wordt door populistische politici benut om kiezers te winnen door de woede te richten op een (onschuldige) zondebok, vgl wijze waarop extreem rechts, Wilders en neonazi’s hetzes opzetten tegen vluchtelingen en immigranten.
  • Revolte: re-vol-te (de; zn., -n); oproer, opstand, muiterij; Het woord waarmee machthebbers een revolutie proberen te ontkennen. Oproerkraaiers, beroepsdemonstranten, vandalen, relschoppers zijn allemaal termen om de revolutie te ontkennen. Koning Lodewijk XVI zei toen hertog Liancourt hem in 1789 kwam vertellen dat de Bastille was veroverd door het volk: “O, een revolte.” “Neen, sire,” verbeterde Liancourt hem. “Een revolutie!” De Franse revolutie liet zich niet meer stoppen.
  • Revolutie: re-vo-lu-tie (de; zn., -s); Een plotselinge verandering in de bestaande toestand; een algehele ommekeer: een omwenteling, de omverwerping van de huidige orde en de vervanging ervan voor iets totaal nieuws. Echter ook een begrip dat ernstig aan inflatie onderhevig is en in marketing vaak het tegenovergestelde betekent: reformisme. “Een revolutionaire ontwikkeling […]” welke uiteindelijk nog steeds dat is wat het was, maar met lichte aanpassingen. Dit is dan ook direct moment waarop de revolutionair alert moet zijn, ook politieke en sociale revoluties hebben hun spindoctors.
  • Revolutionair: re-vo-lu-tio-nair (zn./bn.) Iets of iemand die overtuigd is van de noodzaak van revolutionaire verandering. Zij heeft revolutionaire opvattingen. Hij is een revolutionair. Het idee is revolutionair - het streeft een algehele omwenteling van de huidige toestand na.

S

  • Seksisme: seks-is-me (het; zn., -isme); Het vellen van een waardeoordeel op grond van iemands (toegewezen) sekse of geslachtsidentiteit en hieruit een verhouding tegenover deze persoon of groep bepalen. Vaak gaat seksisme gepaard met discriminatie, uitsluiting, uitbuiting en/of geweld. De meest voorkomende vorm van seksisme uit zich in discriminatie van vrouwen. Maar vijandigheid tegenover bijv. transgenders is net zo goed een vorm van seksisme. (Zie ook “Feminisme” en “Transgender”)
  • Sociaaldemocratie: so-ciaal-de-mo-cra-tie (de; zn.); Oorspronkelijk een politiek idee die het socialisme door middel van de democratie zou moeten verwerkelijken. De sociaaldemocratie is sinds dien een tegenstander van radicale(re) socialisten geworden, als niet de grootste vijand van de anarchie. Inmiddels zijn de sociaaldemocraten van vandaag, de neoliberalen van gister. Het proletariaat (…) is door de machtsbezetene sociaaldemocratie (…) van de klassenstrijd volledig vervreemd. - Erich Mühsam, Troz allem Mensch Sein, 1984
  • Social Engineering: so-cial en-gi-nee-ring (de; zn., Engels); In de breedste zin van het woord, de mechanismen waarmee overheden of invloedsrijke niet-statelijke instituties (zoals massamedia, grote bedrijven) maatschappelijke verhoudingen vormen en controleren. Bijvoorbeeld door de slimme en bewust ingezette manipulatie van de “publieke opinie”.
  • Socialisatie: so-cia-li-sa-tie (de; zn., -s); Het instellen van een socialistische economie: het overnemen van de economie (bedrijven en instellingen) door de gemeenschap en het bezit ervan overhevelen naar de daartoe aangewezen organen. Het socialiseren van de economie via revolutionaire weg betekend de onteigening van de bezittende klasse en deze onder zelfbestuur van de werknemers te brengen, ten dienste stellen van de gehele bevolking en in relatie brengen tot bijv. een federatief productienetwerk.
  • Socialisme: so-cia-lis-me (het; zn., -isme); 1 Maatschappijvorm of wijze van samenleving gericht op de afschaffing van privaat kapitaalbezit, de socialisatie van de productiemiddelen en gemeenschappelijke voorziening in de behoeften van haar leden 2 Beweging die streeft naar de onder 1 genoemde samenleving. Binnen de economische orde van dit model streeft men ook naar de afstemming van de productie op de behoefte van de gemeenschap en de afschaffing van de klassentegenstellingen. Het socialisme is een geen eenduidig begrip en omvat breed palet aan interpretaties, van reformistische tot revolutionaire - van sociaal-democratisch, communistisch tot anarchistisch. In de Marxistische theorie gebruikt men het begrip 'socialisme' als aanduiding van de overgangsfase van het kapitalisme naar communistische samenleving.
  • Soeverein: soe-ve-rein (de; zn., -en); Heerser met een aan geen hoger gezag ondergeschikte macht, syn. 'vorst'; Soevereiniteit: de oppermachtige heerschappij, het hoogste staatsgezag.
  • Sovjet: sov-jet (de; zn.); Soms ook geschreven als Sowjet, van het Russische совет, letterlijk 'raad'; In de vroege dagen van de Russische Revolutie waren de sovjets decentraal georganiseerd netwerk van onafhankelijke arbeiders-, soldaten- en buurtraden. Al snel werden deze echter overgenomen door de Marxistisch Leninisten; De “Sovjet Unie” (letterlijk “(ver)bond van raden”), die uit deze overname voortkwam was in de praktijk echter verworden tot een centralistisch georganiseerde staat.
  • Solidariteit: so-li-da-ri-teit (de; zn.); De wederzijdse hulp, ondersteuning en zorg en een respectvolle omgang onder gelijken of gelijkgestemden. Solidariteit is hierom praktijk om de individu door gemeenschappelijkheid te beschermen. Solidariteit komt niet alleen de gemeenschap ten goede, maar heeft ook voor de individuen die er onderdeel van zijn voordelen. Solidariteit, dat is de harmonie tussen belangen en gevoel, het meewerken van iedereen aan het welzijn van allen, en het samenwerken van allen aan het welzijn van iedere enkeling – dat is de enige manier, waarop de mens naar diens natuur leeft en de hoogste graad van volmaaktheid en welzijn bereiken kan. - Errico Malatesta, De Anarchie, 1891
  • Staat: staat (de; zn.); Binnen een afgebakend grondgebied werkzaam bestuurslichaam dat de maatschappelijke organisatie van een betreffende samenleving monopoliseert, en over de op dat grondgebied wonende bevolking gezag uitoefent. Deze soevereine macht, regeert doormiddel van wetgeving en de handhaving hiervan door repressieve instituties. Met de opkomst van de sociaal-democratie in de 20ste eeuw is de staat, naast de economische, juridische regulering van de maatschappij, ook allerhande sociale functies gaan vervullen als zorg, onderwijs, etc. Hierom hebben verschillende anarchisten gesteld dat de staat niet meer slechts een bundeling is van de administratieve en repressieve instituties in de samenleving, maar dat het een wijdverspreide sociale relatie is die zich in de samenleving heeft genesteld.
  • Staatscommunisme: staats-com-mu-nis-me (het; zn., -isme); Communistische theorie en strategie die voor ogen heeft maatschappij-verandering te realiseren doormiddel van de verovering van de staat. Soms met de hoop dat de staat, in Karl Marx zijn woorden, “langzaam zou afsterven”, in Stalinistische optiek is de staat de belichaming van “de dictatuur van het proletariaat” (lees de Partij), en is tot doel verworden om het communisme met harde hand te verwerkelijken - met alle dramatische gevolgen van dien. (Zie ook “Staatskapitalisme”)
  • Staatskapitalisme: staats-ka-pi-ta-lis-me (het; zn., -isme); Het resultaat van nationalisering van de economie. Daar waar de staat bezitter is geworden van alle sociale voorzieningen, bedrijven en industrie, zal de staat uiteindelijk op een internationale markt gaan concurreren met het internationale kapitalisme. De staat zal, net als de privébezitter de bedrijven moeten managen, wat contra de logica is van het socialisme en communisme - waar de economie in beheer zou zijn van de arbeiders zelf. Hierom tracht de staat zichzelf altijd te identificeren met de arbeiders alsof zij hen representeren, hen zijn. Voorbeelden zijn de Sovjet Unie, China, Cuba, Vietnam etc.
  • Stakingsbreker: sta-kings-bre-ker (de; zn., -s); Iemand die toch aan het werk gaat binnen een bedrijf of instelling waar een staking gaande is. Hiermee wordt de kracht van de staking ondermijnt omdat de baas minder hinder ondervind van de staking - het werk wordt immers toch (deels) verricht. Het inzetten van stakingsbrekers door werkgevers is in Nederland wettelijk verboden - wat uiteraard geen garantie is dat dit niet gebeurd.
  • Stalinisme: sta-li-nis-me (het; zn., -isme); Marxistisch-Leninistische leer genoemd naar Josef Stalin (1879-1953); extreem autoritaire “communistische” ideologie gebaseerd op een ijzeren partijdiscipline, persoonsverheerlijking en nationalisme een sterke staat. Stalin stapte, na zijn overname van de Sovjet Unie in 1924, volgend op de dood van Lenin, af van het idee van een wereldrevolutie en introduceerde het idee van het “Socialisme in één land”, in feite een vorm van nationaal socialisme. Onder zijn regime zijn naar schatting zo'n 9 tot 20 miljoen slachtoffers gevallen.
  • Syndicalisme: syn-di-ca-lis-me (het; zn.); Van syndicaat, een oud woord voor vakbond. Door middel van vakbondsstrijd maatschappelijke rechtvaardigheid afdwingen. Er is een onderscheid tussen de huidige reformistische vakbondsstrijd en die van het revolutionair syndicalisme, welke de vakbond als voertuig ziet voor radicale maatschappelijke verandering.
  • Sweatshop: sweat-shop (eng., de; zn.); productie-instellingen waar er sprake is van slavernij, of het er sterk de schijn van hebben. In de praktijk vaak fabrieken waar tegen weinig kosten met name kleding of electronica gemaakt wordt. De arbeidsomstandigheden in sweatshops zijn vaak erbarmelijk en de arbeiders verdienen ver onder het minimumloon (als deze al bestaat). Sweatshops komen veel voor in landen als China, Mexico, Oost-Europa, India en Pakistan, maar ook in bijvoorbeeld Groot-Brittannië en Nederland zijn bedrijven te vinden met onderbetaalde en vaak geïllegaliseerde werknemers.

T

  • Terrorisme: ter-ro-ris-me (het; zn.), van terreur; Met geweld of de angst voor geweld (politieke) doeleinden afdwingen.
  • Terrorist: ter-ro-rist (de; zn., -en); 1 Iemand die geweld gebruikt om te intimideren (vaak met politieke doeleinden); dictator, politicus, politiecommissaris, legerofficier, agent, soldaat, anti-terreureenheid, religieuze of politieke fanaticus. 2 Begrip om iemand mee in diskrediet te brengen; het begrip terrorist is duidelijk een zeer subjectieve term.
  • Transformative justice: trans-for-ma-tive jus-tice (zn. Engels); Vertaald transformerende gerechtigheid; Alternatieve vorm van rechtsuitoefening waarbij 'dader' en slachtoffer een gemeenschappelijk helingsproces aangaan om de gelede schade te herstellen. Uitgangspunt hierbij is niet zozeer de dader te straffen, maar om deze een verantwoordelijkheid te laten dragen voor diens daden en het voorkomen van dergelijke daden in de toekomst. Er is hiervoor nog geen Nederlandse term.
  • Transgender: trans-gen-der (de; zn. of bn.);
  • Trotskisme: trots-kis-me (het; zn., -isme); Marxistisch-Leninistische leer genoemd naar Leon Trotski (1879-1940) die zich richt tegen het Stalinisme. Leon Trotski was echter zelf eveneens verantwoordelijk voor teloorgang van de Revolutie in Rusland met de militarisering van de volksmilities in de vroege jaren van de revolutie en de latere onderdrukking van de Kronstadt-opstand en de Makhnovshchina.
  • Tsjeka: Tsje-ka (de; zn.) Van 1918 tot 1922 de geheime politie van de Sovjet Unie, belast met het bestrijden van 'contra-revoluties' en sabotage. Deze gewezen Bolsjewistische geheime dienst dient tijdens de Russische burgeroorlog uiteindelijk voor de onderdrukking van vele authentieke revolutionaire uitingen die niet in de greep waren van de Bolsjewieken. De Tsjeka werd later ondergebracht bij de NKVD, dat uiteindelijk uitgroeide tot het instituut dat o.a. verantwoordelijk was voor het Gulag-systeem van gedwongen arbeid en massale buitengerechtelijke executies.

U

  • Union busting: u-nion bus-ting (eng., ww); het actief tegenwerken of voorkomen van arbeiders- of vakbondsorganisatie op de werkvloer door een werkgever. Zeker in landen als Engeland en de V.S. is dit een veel voorkomende praktijk waarbij werknemers actief worden gewaarschuwd voor de 'gevaren' van de vakbond.
  • Utopie: u-top-pie (de; zn.); Dat wat (nog) niet is. Het ideaal waar revolutionairen naar streven. In tegenstelling tot de positieve connotatie, wordt dit begrip echter vaak juist tegen revolutionairen gebruikt: “dat is toch veel te utopisch.” Hierin schuilt een (on)geloof dat de utopie die wij vandaag nastreven, morgen geen werkelijkheid kan worden - dit ‘realisme’ zet echter de deur open voor conformisme en reformisme.
  • Utopisch Socialisme: u-to-pisch so-cia-lis-me (het; zn., samenstelling); vroeg socialistische stroming waarbij de utopie, de wereld die werd nagestreefd, centraal stond. In de literatuur van de utopisch socialisten werd veel gespeeld met fantasie en fictieve verhalen over hoe een toekomstige socialistische samenleving er uit zou kunnen zien. De ideeën van deze beweging zijn van invloed geweest op veel vroegere socialisten en anarchisten.

V

  • Volk: volk (het; zn., -eren); van bevolking; 1 De inwoners van een bepaald grondgebied 2 De “gewone” mensen, in het Engels aangeduid met “the people” of recentelijke met “the 99%”; de lagere standen van de samenleving, dit in tegenstelling tot bijv. het parlement of de rijke invloedrijke mensen uit het bedrijfsleven 3 Een selectief aangeduide bevolkingsgroep, onderscheidend tov anderen door uiterlijke kenmerken, taal, etniciteit, religie of levensovertuiging; De veelvoud aan interpretaties van de term 'volk' laten ook direct het probleem zien met de term. Volk kan net zo goed als inclusief als exclusieve term gebruikt worden - de Nazi's spraken ook van 'het volk' maar dan doelde zij enkel op de 'rasechte Duitsers', joden, zigeuners, migranten, critici etc. werden bij die term uitgesloten. De term wordt ook als klassenbegrip gebruikt - wij het volk, de arbeidersklasse, tegenover de heersende klasse, zij aan de macht - toch articuleert het begrip dit klassenkarakter niet expliciet. De kracht in de term zit in dat het impliciet verwijst naar de meerderheid.
  • Vrij: vrij (bn.); 1 Zonder belemmering kunnen bewegen en de eigen aspiraties kunnen nastreven; het tegenovergestelde van slavernij 2 Niet beperkt door, of vallend onder gezag van anderen 3 (Tijdelijk) niet gebonden aan verplichtingen, Ik ben morgen vrij, morgen niet naar school of werk hoeven gaan 4 Niet gebonden aan een partij, zie “Libertair”.
  • Vrijheid: vrij-heid (de; zn., vrijheden); Van vrij zijn, syn. onafhankelijkheid, autonomie; Vrijheid heeft een veelvoud aan interpretaties, van gematigde en zelfs reactionaire - als de “vrijheid” van de Partij Voor de Vrijheid (PVV) - tot revolutionaire, zoals het concept van persoonlijke en maatschappelijke onafhankelijke dat anarchisten en vrije gemeenschappen nastreven. De romantiek van het begrip maakt dat het, net als het begrip 'democratie', door zulke tegengestelde groepen kan worden omarmt dat het even aantrekkelijk als afstotelijk is geworden en zonder verdere definitie, sterk aan waarde inboet.

W

  • Wederzijdse hulp: we-der-zijd-ze hulp (de; samenstelling); In de organisatie een theorie waarbij er vrijwillige uitwisseling plaats vind van hulpbronnen of diensten voor wederzijds belang. Wederzijdse hulp is mogelijk zo oud als de menselijke cultuur en neemt binnen het anarchisme een centrale rol in. De anarchistische denker Peter Kropotkin heeft deze vorm van menselijke organisatie uitgebreid onderzocht en verder uitgewerkt in zijn boek Wederzijdse Hulp, een factor in de evolutie.
  • Werk: werk (het; zn.); 1 Een ander woord voor 'arbeid' (zie “Arbeid”) 2 De vereiste stappen ondernemen om iets gedaan te krijgen of te bewerkstelligen 3 Dat wat gedaan, verricht, gemaakt is of moet worden, syn. 'taak' 4 De plaats waar men werkt, ik moet naar mijn werk.
  • Werkende klasse: wer-ken-de klas-se (de; zn., samenstelling); Moderne aanduiding voor de arbeidersklasse, zie “Arbeidersklasse”.
  • Wilde staking: wil-de sta-king (de; zn., samenstelling; Eng. wildcat strike); Een staking die niet is 'goedgekeurd' door de vakbond of die niet plaats vind onder de vlag van een erkende vakvereniging - meestal spontaan georganiseerd door ontevreden werknemers.
  • Wobblie: wo-bblie (de; zn., -s); Lid van de Industrial Workers of the World (IWW). De naam is afgeleid van de Engels uitgesproken afkorting IWW waarbij “double joe” klinkt als “Wobblie”.
  • Worgwet: worg-wet (de; zn., '-en); Van worgen of wurgen, verwijzend naar het wurgen of monddood maken van protesten of stakingen. Een worgwet is het bij wet verbieden van politieke dissidentie als bijvoorbeeld stakingen of andere vormen van protest. Dit gebeurde in Nederland onder andere tijdens de spoorwegstakingen van 1903 maar komt ook heden ten dage voor zoals de 'Ley Mordaza' in Spanje, waarmee in 2014 de regerende conservatieve partij de aanhoudende protesten tegen het crisisbeleid probeerde in te dammen.

X

Y

Z

  • Zelfbestuur: zelf-be-stuur (het; zn.); Het zelfstandig bestuur van de maatschappij, maatschappelijke instituties of de werkplek door lagere rechtsgemeenschappen. Dit kan zijn met instemming van hogere constitutionele lichamen als een centrale staat óf zonder - waarbij de gemeenschap zich heeft vrijgevochten van deze hogere regerende lichamen en haar eigen richting bepaald. (Zie ook “Autonomie”)
revolutionair_woordenboek.txt · Laatst gewijzigd: 20/10/17 15:00 door defiance