In de marge van het Platform

Door Camillo Berneri

Deze tekst is onderdeel van de discussie over het Organisatorisch Platform, toch heeft de tekst, zoals de titel al suggereert, relatief weinig directe betrekking op de tekst van de Dielo Trouda-groep.


In de marge van het Platform

“Is het anarchisme een ideologie van de massa?” Het “Platform” beweert: “De klassenstrijd, ontstaan uit de slavernij van de arbeiders en hun aspiraties tot de vrijheid, deed het idee van het anarchisme ontstaan in de geesten van de onderdrukten: het idee van een volledige negatie van het gemeenschapssysteem gebaseerd op de principes van klasse en Staat, het idee van de vervanging van dit systeem door een vrije en niet-statelijke samenleving bestuurd door de arbeiders zelf.”

De eminente denkers van het anarchisme hebben dit “idee” – aldus het “Platform” – in de populaire actie gevonden, en hebben niets anders gedaan dan dit te ontwikkelen en verspreiden.

Ik ben het op geen enkel vlak met het “Platform” eens. Ik ben er stellig van overtuigd dat het anarchisme, voor het grootste gedeelte, wordt vertegenwoordigd en geactualiseerd door de opstandige actie van de massa, die de Staat vernietigt en de burgerlijke heerschappij verstoort; dat de populaire actie voor ons, voor zover mogelijk, beter ontwikkeld en vruchtbaarder is dan enige andere collectieve en uitgebreide ervaring; dat we in bepaalde populaire politieke vormen (Mir, coöperaties, de Gemeenschap) een complex van polariserende en systematische elementen moeten zien die zich lenen voor een nieuwe auto-democratische ordening. Maar ik zie in opstandige populaire actie meer anarchistische “effecten” dan anarchistische “intenties”; ik denk niet dat de functie van anarchisten in de revolutie zich moet beperken tot het “verwijderen van de obstakels” die de manifestatie van de wil van de massa belemmeren. Ik zie serieuze gevaren en niet weinig problemen in lokale en coöperatieve egoïsmen.

Kropotkin heeft als geschiedkundige de actie van de massa duidelijk boven die van de autoritaire partijen en de gecentraliseerde Staat gesteld. Met betrekking tot het verleden was hij bereid om zich op een relatief terrein te plaatsen, om het vanuit een visuele hoek te benaderen.

Voor hem schenen de “Mir” met zijn anachronismen, de autoritaire middeleeuwse gemeente met zijn intieme structuur en het communalistische anarchisme van de populaire massa tijdens de Franse Revolutie juist innoverende en libertaire krachten met een historische rol van de anti-Statelijkheid. Maar wanneer hij zich verplaatste naar het politieke terrein en naar de toekomst keek, zong Kropotkin lof over de massa. Om de Staat ineen te doen storten, is er een constructieve kracht nodig die diens vitale, publieke functies overneemt en perfectioneert. Kropotkin vervangt deze met het volksinitiatief. Deze collectieve intelligentie, deze voortdurende veranderende wil en gedeelde harmonie, bezit voor hem geen obstakels of beroept zich op niets anders. Deze is doordrenkt van het anarchisme. De anarchisten kunnen zich er in vergissen dat deze hun inspanningen enkel vermenigvuldigt, dat deze hun ideeën slechts actualiseert. Er is niet meer nodig dan het hijsen van een vlag, bepaalde obstakels aan te wijzen of enkele ideeën de wereld in te gooien. Er is niet meer nodig dan het jakobijnse initiatief om te leiden te verdringen en de populaire actie te stimuleren. Kropotkin, als geschiedkundige en etnograaf, zag, in potentie, het integrale anarchisme in het relatieve anarchisme van de revolterende massa of in de massa’s die buiten de marge van de staat leven. Met een naïef optimisme projecteerde hij deze tweede op de toekomstige sociale revolutie, en geloofde hij niet dat ze zich zou ontvouwen via een reeks meer of minder geslaagde ervaringen, maar via een “instemming”. En in het sociologische veld zag hij in de “Mir” niet een demonstratief element van een buiten-statelijke gemeenschap, maar een onbelangrijk element in het licht van een proces dat het gehele sociale leven van een natie omvat, en dat in de Staat een groot deel van haar vitale functies bezit. Het probleem van de gedeeltelijke vervanging van steenkool door elektriciteit moet gesteld worden in relatie tot een economie waarin steenkool bestaat, waarin fornuizen bestaan, waar er waterstromen bestaan en de mogelijkheid om centrales te plaatsen. In de meeste gevallen zou Kropotkin je terug verwijzen naar de riviernavigatie, naar olielampen en windmolens.

De waarde van organisaties? Gigantisch. Maar sommige van de toeristische, culturele en andere organisaties die Kropotkin dierbaar zijn, lijken hier niet op. Deze herbergen geen contrasten, bestrijken een erg specifiek veld van activiteiten en kunnen sterk verschillen van de arbeidersverenigingen, als een soort samenleving binnen de samenleving, niet zozeer als organisatie. In hun bergbeklimmersvereniging bevinden metselaars en huurders, spoorwegarbeiders en reizigers, producenten en consumenten zich vandaag niet met elkaar in conflict. Maar het is niet zo moeilijk om morgen met elkaar in conflict te komen indien er problemen moeten worden opgelost waarin het gemeenschappelijk belang in strijd zou kunnen zijn met die van particuliere groepen. De groep bruinkoolmijnwerkers is vandaag bijvoorbeeld niet in conflict met burgers, omdat de staat de belastingbetaler laat betalen voor het protectionisme dat de eigenaren van die mijnen wordt verleend.

Maar indien de gemeente van S. Giovanni Valdarno zou moeten beslissen of het delven van bruinkool al dan niet wordt voortgezet, zullen de associaties van de landarbeiders waarschijnlijk in conflict komen met die van de mijnwerkers. Hetzelfde geldt voor de gemeentes. De gemeente die rijk aan water is, levert zijn bijdragen aan de Staat, die vervolgens slechts een klein deel hiervan zal besteden om een aquaduct te bouwen dat het water naar de nabije gemeente leidt die hier niet over beschikt. De federatie van de Communes zal hetzelfde doen. Maar zou er niet moeten worden gestreden tegen het egoïsme van de Communes die water rijk zijn?

Oneindig veel particuliere en collectieve egoïsmen zullen het populaire initiatief in de weg zitten, bemoeilijken en misleiden. En vooral op het gebied van de landbouw zullen particuliere en antagonistische belangen het overnemen van het gemeenschappelijk belang, zal het leven zelf van bepaalde verenigingen in gevaar zijn of vernietigd worden.

Daar komt bij dat het volksinitiatief na de opstandige periode niet eeuwig haar elan zal behouden, wat een extra reden is om beducht te zijn voor het ‘laissez faire’, op politiek-administratief gebied.

Als de anarchistische beweging niet de moed krijgt zich als spiritueel geïsoleerd te beschouwen, zal het niet leren om te handelen als initiatiefnemer en voortstuwer. Als het niet de politieke intelligentie verwerft die voortkomt uit een rationeel en sereen pessimisme (wat in feite een vorm van realiteitszin is), en zorgvuldig en duidelijk de problemen onderzoekt, zal het nooit zijn krachten kunnen vermenigvuldigen en de instemming van en samenwerking met de massa’s vinden.

We moeten breken met het romanticisme en stoppen de massa’s vanuit zo’n perspectief te betrachten. Er bestaat geen homogeen volk, maar verscheidene menigtes en groeperingen. Er bestaat geen revolutionaire wil van de massa’s, maar revolutionaire momenten waarbij de massa’s een enorme hefboom zijn.

Eén zijn met het volk is eenvoudig als men genoegen neemt ‘Leef op! Naar beneden! Naar voren! Leve de revolutie!’ te roepen, of als men genoegen neemt simpelweg te strijden. Maar er komt een moment wanneer iedereen zich afvraagt: “Wat doen we nu?” Dan is het nodig om een antwoord te hebben. Niet om de baas te spelen, maar omdat de menigte het niet zal creëren.

“Een verenigde tactiek” betekent een uniforme en continue tactiek. Het “Platform” verdedigt de “verenigde tactiek” omdat het ’t probleem van de anarchistische actie binnen de revolutie simplificeert. Als we tot een krachtige revisie van onze kleine revolutionaire kracht willen komen, moeten we het terrein van ideologische vooringenomenheden en van het comfortabel uitstellen van tactische en constructieve problemen verlaten. Ik noem het constructief omdat het grootste gevaar tot stilstand en het afwijken van de revolutie zich in de conservatieve tendensen van de massa zelf bevindt.