Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen

namespace:scepsis_en_mystiek

Verschillen

Dit geeft de verschillen weer tussen de geselecteerde revisie en de huidige revisie van de pagina.

Link naar deze vergelijking

Beide kanten vorige revisie Vorige revisie
namespace:scepsis_en_mystiek [18/08/17 07:02]
defiance
namespace:scepsis_en_mystiek [18/08/17 07:11] (huidige)
defiance
Regel 125: Regel 125:
 Bij het tweede deel van de taalkritiek (Bijdragen tot een een Kritiek der Taal, tweede deel, 1912) Bij het tweede deel van de taalkritiek (Bijdragen tot een een Kritiek der Taal, tweede deel, 1912)
  
-1.+==== 1. ====
  
 De daden van de vernietigers van het denken onderscheiden zich van de projectielen van gewone kanonniers doordat er, als zij hun bommen in de gelederen van de vijanden en vakgeleerden geslingerd hebben, aanvankelijk geen kabaal ontstaat, maar een pijnlijk zwijgen. Mauthners taalkritiek was al in het eerste deel moordend, niet alleen voor het gangbare wetenschapsbedrijf,​ maar voor de wetenschap zelf of tenminste voor het geloof, dat hun kennis belangrijk is, dat het iets anders is dan een deels fantastische,​ deels fantasieloze symboliek. Maar bijna zonder uitzondering hebben, zowel de ambtelijke als werkelijke vertegenwoordigers van de geesteswetenschappen en algemene natuurwetenschappen,​ die dat het meeste aanging, daar geen enkel antwoord op, alsof ze niet verantwoordelijk waren; het was geen uitzondering als ze voor het verdraaien of kleineren een journalistieke handlanger of een liefhebberende allesweter aanvoerden. Mauthners boek is dus door zijn kenmerkende opzet door de geleerden erkend als een duurzaam werk, waarmee gewerkt moet worden; en meer is redelijkerwijs niet van hen te verlangen. De daden van de vernietigers van het denken onderscheiden zich van de projectielen van gewone kanonniers doordat er, als zij hun bommen in de gelederen van de vijanden en vakgeleerden geslingerd hebben, aanvankelijk geen kabaal ontstaat, maar een pijnlijk zwijgen. Mauthners taalkritiek was al in het eerste deel moordend, niet alleen voor het gangbare wetenschapsbedrijf,​ maar voor de wetenschap zelf of tenminste voor het geloof, dat hun kennis belangrijk is, dat het iets anders is dan een deels fantastische,​ deels fantasieloze symboliek. Maar bijna zonder uitzondering hebben, zowel de ambtelijke als werkelijke vertegenwoordigers van de geesteswetenschappen en algemene natuurwetenschappen,​ die dat het meeste aanging, daar geen enkel antwoord op, alsof ze niet verantwoordelijk waren; het was geen uitzondering als ze voor het verdraaien of kleineren een journalistieke handlanger of een liefhebberende allesweter aanvoerden. Mauthners boek is dus door zijn kenmerkende opzet door de geleerden erkend als een duurzaam werk, waarmee gewerkt moet worden; en meer is redelijkerwijs niet van hen te verlangen.
Regel 135: Regel 135:
 Mauthner brengt ons echter niet op deze deductieve manier tot het inzicht, dat er geen taalwetten, geen wetenschappelijk vast te leggen taalontwikkeling bestaat, zoals hij dus eigenlijk, zelfs bij prachtige invallen steeds waarschuwt voor deductieve pogingen, die een verblindend,​ verleidelijk spel vormen, maar niets bewijzen, hoewel men daarmee alles kan bewijzen. Hij weidt eerder, uitgebreid en verpletterend,​ uit over alle afzonderlijke gebieden van de taalwetenschap. Wat voor — moet slechts terloops opgemerkt worden — enorme arbeidsprestatie dat vergt, valt alleen iemand op, die zelf met steeds nieuwe verbazing het boek leest. Natuurlijk is die rijkdom van afzonderlijke bewijzen veel waardevoller dan die algemene regel, waardoor ze bekrachtigd worden. Mauthner brengt ons echter niet op deze deductieve manier tot het inzicht, dat er geen taalwetten, geen wetenschappelijk vast te leggen taalontwikkeling bestaat, zoals hij dus eigenlijk, zelfs bij prachtige invallen steeds waarschuwt voor deductieve pogingen, die een verblindend,​ verleidelijk spel vormen, maar niets bewijzen, hoewel men daarmee alles kan bewijzen. Hij weidt eerder, uitgebreid en verpletterend,​ uit over alle afzonderlijke gebieden van de taalwetenschap. Wat voor — moet slechts terloops opgemerkt worden — enorme arbeidsprestatie dat vergt, valt alleen iemand op, die zelf met steeds nieuwe verbazing het boek leest. Natuurlijk is die rijkdom van afzonderlijke bewijzen veel waardevoller dan die algemene regel, waardoor ze bekrachtigd worden.
  
-Omdat de huidige taalonderzoekers,​ zoals al eerder gezegd, kritisch zijn, meestal niet ten opzichte van de taal zelf, maar ten opzichte van hun vakbroeders,​ konden ze natuurlijk niet bedenken om de tak af te zagen, waar hun eigen katheter op rust, of zelfs de wortels uitroeien, die zowel eerbiedwaardig oud als voedend zijn. Die wortels, die bij de Indogermanisten in ieder geval taalwortels worden genoemd, zijn volgens hun bewering de restanten van een oertaal, waarachter zich niets anders meer bevindt. Ze beweren dan wel niet dat er vóór of gelijktijdig met de taal van de Ariërs geen andere is geweest, maar ze beschrijven die op een manier, alsof die taal autochtoon zou zijn ontstaan en alsof alle zogenaamde Indogermaanse talen rechtstreekse nazaten zouden zijn van deze verder niet naspeurbare oerouders. Ze onderzoeken met name helemaal niet of de overeenstemmingen en overeenkomsten in deze talen niet anders te verklaren zouden zijn dan door afstamming of verwantschap;​ ze bespreken zelfs ook niet wat het eigenlijk wel is: een verwantschap tussen talen. Mauthner heeft daarom tegen die wortels zelf eenvoudig spel, omdat een aantal goede onderzoekers die al sceptisch hebben benaderd. Hij toont aan de ze producten zijn van deels Indische, deels Indogermaanse grammatici, maar dat ze niet tot een levende taal hebben behoord. Omdat men echter niet meer weet van het oervolk van de Ariërs, dan dat men moet veronderstellen,​ als men hen een taal toebedeelt, dat die nooit gesproken is, valt dus ook de basis voor de aanname van een "​verwantschap"​ tussen de Indogermaanse talen weg. Talen sprak men, maar volkeren moest men bedenken, zelfs als men dat ontkende. Talen kunnen alleen maar met elkaar verwant zijn, als de volkeren die een en dezelfde afstamming hebben, want anders blijf van verwantschap niets anders over dan de niet verder verhelderde overeenkomst. Mauthner wijst er overtuigend op dat het raadzaam is om, in plaats van volksverhuizingen en taalveranderingen,​ gewoon over woordveranderingen te spreken: waar we weten dat volkeren zich onderling hebben vermengd, weten wij dat niet uit de taal, maar op een andere manier; misschien valt de opvallende overeenkomst tussen talen restloos te verklaren uit vermenging van volkeren en het overnemen van de taal. De eenheid van een volkstaal valt nog niet op te maken uit de zuiverheid van het ras. Als de taalwetenschap iets afweet ​van de geschiedenis van een taal, dankt zij dat aan een toevallige kennis van de geschiedenis van een volk; maar omgekeerd zijn uit taalkundige overeenkomsten geen conclusies geoorloofd over etnologische feiten. Maar wat het belangrijkste is: wat wij zowel van volkeren als van talen weten, gaat maar een paar duizend jaar terug, over verder terug staan ons niet de geringste bronnen ter beschikking,​ maar talen en de mensheid zijn ontelbare tienduizenden jaren oud; wat voor zin heeft dus de onuitvoerbare poging om iets geloofwaardigs vast te stellen over de oorsprong van de taal of zelfs de oertaal? Als dat echter niet mogelijk is, hoe valt dan de huidige toestand van de taal van dit moment te verklaren? Hoe kan het dan verder geoorloofd zijn om een rangorde en volgorde van stadia volgens hun morfologische structuur te construeren,​ als wij niet weten of bijvoorbeeld de toestand van de Chinese taal het evenbeeld is van datgene waar onze talen vandaan komen, of waar ze naartoe gaan, of, wat niet zonder meer afgewezen kan worden, zowel het ene als het andere? Wij worden er immers steeds weer op gewezen dat talen veel tijd bevatten, heel veel tijd; de restanten die wij nu voor ons hebben liggen, hoeven helemaal niet de hoogtepunten te zijn van een unieke, voortschrijdende ontwikkeling:​ het zijn veel eerder overblijfselen uit een hoeveelheid verschillende vermengingen en catastrofen. Bovendien is echter bij talen alleen al geen sprake van een voortschrijdende ontwikkeling,​ omdat ze allemaal even veel of even weinig belangrijk zijn voor de kennis, namelijk helemaal niet, hoe het met hun grammaticale categorieën of zelfs hun klankvoorraad ook gesteld moge zijn. Verbijsterend en vernietigend is echter vooral, en dan niet alleen voor taalgeleerden,​ een grandioze fantasie van Mauthner, die meer is dan maar wat gefantaseer,​ namelijk een voorbeeld over hoe het op de ene of andere manier ooit geweest moet zijn, en wat dus niet louter een wetenschappelijke hypothese is, maar een fragment van een sceptische wereldbeschouwing. Het is dodelijk voor al die van het Darwinisme, of zoals men het tegenwoordig liever noemt, van het Monisme uitgaande priesterlijke pogingen om in plaats van de oude God een loffelijk en verheugend, zich steeds voorwaarts ontwikkelende wereld te stellen. Die wereld heeft geen begin en einde en het woord doel wordt dan ook graag en bangelijk vermeden, maar desondanks gaat die regelrecht op een doel af, over de mens heen, die ook dit keer de kroon op het geheel is, — omdat anders de hele zaak voor ons zinloos zou zijn, — steeds verder naar hogere doelen. Mauthner neemt in aansluiting aan Adhémars "​Revolutions de la mer" aan, dat volkeren en talen in een cyclus van ongeveer eenentwintigduizend jaar steeds weer vernietigd, door elkaar geschud en vermengd worden door periodieke ijstijden, dat er geen sprale ​is van een gestaag opwaarts, maar steeds slechts een eeuwige wederkeer, al is het ook geen op en af, geen vooruitgang,​ maar een door elkaar. Omdat het hier om een hoogtepunt van zijn beschrijving gaat, laat ik hier Mauthners eigen woorden volgen:+Omdat de huidige taalonderzoekers,​ zoals al eerder gezegd, kritisch zijn, meestal niet ten opzichte van de taal zelf, maar ten opzichte van hun vakbroeders,​ konden ze natuurlijk niet bedenken om de tak af te zagen, waar hun eigen katheter op rust, of zelfs de wortels uitroeien, die zowel eerbiedwaardig oud als voedend zijn. Die wortels, die bij de Indogermanisten in ieder geval taalwortels worden genoemd, zijn volgens hun bewering de restanten van een oertaal, waarachter zich niets anders meer bevindt. Ze beweren dan wel niet dat er vóór of gelijktijdig met de taal van de Ariërs geen andere is geweest, maar ze beschrijven die op een manier, alsof die taal autochtoon zou zijn ontstaan en alsof alle zogenaamde Indogermaanse talen rechtstreekse nazaten zouden zijn van deze verder niet naspeurbare oerouders. Ze onderzoeken met name helemaal niet of de overeenstemmingen en overeenkomsten in deze talen niet anders te verklaren zouden zijn dan door afstamming of verwantschap;​ ze bespreken zelfs ook niet wat het eigenlijk wel is: een verwantschap tussen talen. Mauthner heeft daarom tegen die wortels zelf eenvoudig spel, omdat een aantal goede onderzoekers die al sceptisch hebben benaderd. Hij toont aan de ze producten zijn van deels Indische, deels Indogermaanse grammatici, maar dat ze niet tot een levende taal hebben behoord. Omdat men echter niet meer weet van het oervolk van de Ariërs, dan dat men moet veronderstellen,​ als men hen een taal toebedeelt, dat die nooit gesproken is, valt dus ook de basis voor de aanname van een "​verwantschap"​ tussen de Indogermaanse talen weg. Talen sprak men, maar volkeren moest men bedenken, zelfs als men dat ontkende. Talen kunnen alleen maar met elkaar verwant zijn, als de volkeren die een en dezelfde afstamming hebben, want anders blijf van verwantschap niets anders over dan de niet verder verhelderde overeenkomst. Mauthner wijst er overtuigend op dat het raadzaam is om, in plaats van volksverhuizingen en taalveranderingen,​ gewoon over woordveranderingen te spreken: waar we weten dat volkeren zich onderling hebben vermengd, weten wij dat niet uit de taal, maar op een andere manier; misschien valt de opvallende overeenkomst tussen talen restloos te verklaren uit vermenging van volkeren en het overnemen van de taal. De eenheid van een volkstaal valt nog niet op te maken uit de zuiverheid van het ras. Als de taalwetenschap iets af weet van de geschiedenis van een taal, dankt zij dat aan een toevallige kennis van de geschiedenis van een volk; maar omgekeerd zijn uit taalkundige overeenkomsten geen conclusies geoorloofd over etnologische feiten. Maar wat het belangrijkste is: wat wij zowel van volkeren als van talen weten, gaat maar een paar duizend jaar terug, over verder terug staan ons niet de geringste bronnen ter beschikking,​ maar talen en de mensheid zijn ontelbare tienduizenden jaren oud; wat voor zin heeft dus de onuitvoerbare poging om iets geloofwaardigs vast te stellen over de oorsprong van de taal of zelfs de oertaal? Als dat echter niet mogelijk is, hoe valt dan de huidige toestand van de taal van dit moment te verklaren? Hoe kan het dan verder geoorloofd zijn om een rangorde en volgorde van stadia volgens hun morfologische structuur te construeren,​ als wij niet weten of bijvoorbeeld de toestand van de Chinese taal het evenbeeld is van datgene waar onze talen vandaan komen, of waar ze naartoe gaan, of, wat niet zonder meer afgewezen kan worden, zowel het ene als het andere? Wij worden er immers steeds weer op gewezen dat talen veel tijd bevatten, heel veel tijd; de restanten die wij nu voor ons hebben liggen, hoeven helemaal niet de hoogtepunten te zijn van een unieke, voortschrijdende ontwikkeling:​ het zijn veel eerder overblijfselen uit een hoeveelheid verschillende vermengingen en catastrofen. Bovendien is echter bij talen alleen al geen sprake van een voortschrijdende ontwikkeling,​ omdat ze allemaal even veel of even weinig belangrijk zijn voor de kennis, namelijk helemaal niet, hoe het met hun grammaticale categorieën of zelfs hun klankvoorraad ook gesteld moge zijn. Verbijsterend en vernietigend is echter vooral, en dan niet alleen voor taalgeleerden,​ een grandioze fantasie van Mauthner, die meer is dan maar wat gefantaseer,​ namelijk een voorbeeld over hoe het op de ene of andere manier ooit geweest moet zijn, en wat dus niet louter een wetenschappelijke hypothese is, maar een fragment van een sceptische wereldbeschouwing. Het is dodelijk voor al die van het Darwinisme, of zoals men het tegenwoordig liever noemt, van het Monisme uitgaande priesterlijke pogingen om in plaats van de oude God een loffelijk en verheugend, zich steeds voorwaarts ontwikkelende wereld te stellen. Die wereld heeft geen begin en einde en het woord doel wordt dan ook graag en bangelijk vermeden, maar desondanks gaat die regelrecht op een doel af, over de mens heen, die ook dit keer de kroon op het geheel is, — omdat anders de hele zaak voor ons zinloos zou zijn, — steeds verder naar hogere doelen. Mauthner neemt in aansluiting aan Adhémars "​Revolutions de la mer" aan, dat volkeren en talen in een cyclus van ongeveer eenentwintigduizend jaar steeds weer vernietigd, door elkaar geschud en vermengd worden door periodieke ijstijden, dat er geen sprake ​is van een gestaag opwaarts, maar steeds slechts een eeuwige wederkeer, al is het ook geen op en af, geen vooruitgang,​ maar een door elkaar. Omdat het hier om een hoogtepunt van zijn beschrijving gaat, laat ik hier Mauthners eigen woorden volgen:
  
 "Geen enkele sage kan nog verhalen, hoe de volkeren ooit — in een ritme van eenentwintigduizend jaar — weggedrongen werden van hun weidegebieden en na duizenden jaren weer nieuwe weidegebieden vonden. Zoals de insecten van de Scandinavische kusten geen weet meer hebben van de bodemverheffing,​ zoals de vissen en mossels er geen weet meer van hebben, dat zij zich tijden geleden, toen diezelfde bodem nog diep in de zee verzonken lag, in diezelfde afgronden gevoed hebben met waterplanten,​ zo leven ook de mensen hier en daar en weten niets af van de ijstijd. Zij weten niet dat het ooit heet was aan de evenaar, zelfs te heet voor negers, dat de mensen, in het geval dat ze op dezelfde manier georganiseerd waren als de huidige, aanvankelijk niet rond de evenaar konden wonen en ook niet in de gematigde zone, maar alleen aan de polen. Ze weten niet dat er in een ritme van eenentwintigduizend jaar ontelbare koudeperioden voorbij moesten gaan, voordat de huidige indeling van de rassen tot stand kwam, die ons zo eeuwig lijkt en die toch in de komende eenentwintigduizend jaar voor zoveel andere indelingen plaats zal moeten maken. Ze weten niets over de vreselijke gevechten juist in Europa, die uitbraken toen de voorlaatste en laatste ijstijd, aanvankelijk langzaam, maar onstuitbaar een feit werden; hoe het ijs huizenhoog vanaf de Alpen, Karpaten en Scandinavië over het vroegere vruchtbare land heen schoof en hoe de vreselijkste vertwijfeling zich meester maakte van de mensen, nog afschrikwekkender dan de gevechten van de laatste mensen tijdens de legendarische zondvloed; welke rassen destijds in Europa huisden, aan Rijn en Elbe, in Rusland en Engeland, die zich met de honger van wilde dieren op elkaar moesten storten. Geen mensen, maar volkeren worden vernietigd. En de overwinnaars stierven vrijwel op dezelfde manier als de overwonnenen,​ totdat in het rustige ritme van eenentwintigduizend jaar de dalen zich weer langzaam en onstuitbaar openden en groen kleurden en overal vandaan stromen volkeren toesnelden — verdeeld over duizenden jaren —, om bezit te nemen van het ijsvrije land. Men moet zich die toestand maar eens levendig genoeg voor ogen stellen: gletsjers als ordebewaarders van de aarde; hoe ze grenzen openen en weer sluiten, ongedwongen automaten in het ritme van eenentwintigduizend jaar; hoe ze tegelijkertijd continenten vormen en scheiden, hoe de zee de ene keer wint en de andere keer het onderspit delft, hoe de Atlantische Oceaan zich breeduit tussen de oude wereld en Amerika legt, hoe hele continenten opduiken uit de ondoorgrondelijke watermassa’s van de Zuidzee en de zuidelijke punten van Afrika en Amerika zich tot de polen uitstrekken,​ hoe daar bruine en rode, zwarte en gele volkeren gulzig als hongerige wolven om het voedende land strijden, om een stuk grond, dat geen zee en gletsjer is, om een plek, waar voor hen vermoedelijk een grashalm groeide, hoe daar de trage gletsjers met ijzige handende bruine en rode, zwarte, gele en witte volksstammen — of wat daar destijds van bestond — de weg wees en versperden, hoe die stammen zich bloedig met elkaar vermengden, moordden, liefhadden, elkaar begrepen en verkeerd begrepen, in het stille ritme van eenentwintigduizend jaar, op en neer, en weer eenentwintigduizend jaar, op en neer: wie dat onder ogen ziet, zal misschien niet langer met de oude aandacht de vraag onderzoeken:​ of de mensen allemaal van een enkel paar afstammen, of de Indo-europeanen vóór hun uiteengaan bij het Hindoekoesjgebergte gewoond hebben, welke weg ze op hun tocht namen en of de schedel van de mammoetmensen dolichocefaal of brachycefaal was?" "Geen enkele sage kan nog verhalen, hoe de volkeren ooit — in een ritme van eenentwintigduizend jaar — weggedrongen werden van hun weidegebieden en na duizenden jaren weer nieuwe weidegebieden vonden. Zoals de insecten van de Scandinavische kusten geen weet meer hebben van de bodemverheffing,​ zoals de vissen en mossels er geen weet meer van hebben, dat zij zich tijden geleden, toen diezelfde bodem nog diep in de zee verzonken lag, in diezelfde afgronden gevoed hebben met waterplanten,​ zo leven ook de mensen hier en daar en weten niets af van de ijstijd. Zij weten niet dat het ooit heet was aan de evenaar, zelfs te heet voor negers, dat de mensen, in het geval dat ze op dezelfde manier georganiseerd waren als de huidige, aanvankelijk niet rond de evenaar konden wonen en ook niet in de gematigde zone, maar alleen aan de polen. Ze weten niet dat er in een ritme van eenentwintigduizend jaar ontelbare koudeperioden voorbij moesten gaan, voordat de huidige indeling van de rassen tot stand kwam, die ons zo eeuwig lijkt en die toch in de komende eenentwintigduizend jaar voor zoveel andere indelingen plaats zal moeten maken. Ze weten niets over de vreselijke gevechten juist in Europa, die uitbraken toen de voorlaatste en laatste ijstijd, aanvankelijk langzaam, maar onstuitbaar een feit werden; hoe het ijs huizenhoog vanaf de Alpen, Karpaten en Scandinavië over het vroegere vruchtbare land heen schoof en hoe de vreselijkste vertwijfeling zich meester maakte van de mensen, nog afschrikwekkender dan de gevechten van de laatste mensen tijdens de legendarische zondvloed; welke rassen destijds in Europa huisden, aan Rijn en Elbe, in Rusland en Engeland, die zich met de honger van wilde dieren op elkaar moesten storten. Geen mensen, maar volkeren worden vernietigd. En de overwinnaars stierven vrijwel op dezelfde manier als de overwonnenen,​ totdat in het rustige ritme van eenentwintigduizend jaar de dalen zich weer langzaam en onstuitbaar openden en groen kleurden en overal vandaan stromen volkeren toesnelden — verdeeld over duizenden jaren —, om bezit te nemen van het ijsvrije land. Men moet zich die toestand maar eens levendig genoeg voor ogen stellen: gletsjers als ordebewaarders van de aarde; hoe ze grenzen openen en weer sluiten, ongedwongen automaten in het ritme van eenentwintigduizend jaar; hoe ze tegelijkertijd continenten vormen en scheiden, hoe de zee de ene keer wint en de andere keer het onderspit delft, hoe de Atlantische Oceaan zich breeduit tussen de oude wereld en Amerika legt, hoe hele continenten opduiken uit de ondoorgrondelijke watermassa’s van de Zuidzee en de zuidelijke punten van Afrika en Amerika zich tot de polen uitstrekken,​ hoe daar bruine en rode, zwarte en gele volkeren gulzig als hongerige wolven om het voedende land strijden, om een stuk grond, dat geen zee en gletsjer is, om een plek, waar voor hen vermoedelijk een grashalm groeide, hoe daar de trage gletsjers met ijzige handende bruine en rode, zwarte, gele en witte volksstammen — of wat daar destijds van bestond — de weg wees en versperden, hoe die stammen zich bloedig met elkaar vermengden, moordden, liefhadden, elkaar begrepen en verkeerd begrepen, in het stille ritme van eenentwintigduizend jaar, op en neer, en weer eenentwintigduizend jaar, op en neer: wie dat onder ogen ziet, zal misschien niet langer met de oude aandacht de vraag onderzoeken:​ of de mensen allemaal van een enkel paar afstammen, of de Indo-europeanen vóór hun uiteengaan bij het Hindoekoesjgebergte gewoond hebben, welke weg ze op hun tocht namen en of de schedel van de mammoetmensen dolichocefaal of brachycefaal was?"
  
-Nogmaals: men kan een dergelijke wereldbeschouwing,​ die alle waarschijnlijkheid van onze inzichten ​meeheeft ​en verder meer is dan een hemels vervloeiende wereldbeschouwing,​ namelijk een aardebeschouwing,​ niet scherp genoeg tegenover de tegenwoordig als paddestoelen ​in het bos omhoogschietende openbaringen stellen, waarvan de geestelijke vaders zich schuw en door de weerzinwekkende mensenwereld gekrenkt in hun fijngevoeligheid,​ teruggetrokken hebben en in plaats daarvan in Gods wijde wereld alles lieflijk en aangenaam vinden, temeer omdat deze spinsels zich hullen in zeer achtenswaardige,​ maar moreel verkeerd geduide kennistheoretische hypothesen. Bij gelegenheid kan tegelijkertijd sprake zijn van een soortgelijke poging van onze tijd, namelijk het weer opfrissen van het optimisme. Ik bedoel het onlangs door de gebroeders Hart verkondigde "​Opheffing van de tegenstellingen."​ Kennistheoretisch,​ vooral als kritiek op de causaliteit en helemaal op de concreetheid,​ zit daar zeker iets juists achter, vooral omdat ook Julius Hart, die deze ene gedachte als fundament voor iets positiefs beschouwt, er geen weet van heeft, dat tegenstellingen juist tot de vloek van de taal behoren en dat men zich niet alleen moet bevrijden van tegenstellingen,​ maar vooral van stellingen. Deze gedachte, namelijk dat tegenstellingen niet in de dingen zitten, maar in onze taal, treft men bij Mauthner heel duidelijk aan, eenvoudig verwoord en zonder het geloof dat er iets positiefs of verrukkelijks over de objectieve wereld wordt uitgesproken,​ als tegenstellingen als een subjectief element worden onthuld; hij zegt (II, 50): "Een tegenstrijdigheid is ondenkbaar in de wereld van de werkelijkheid. Die is alleen maar denkbaar en werkelijk in het spreken van de mensen….De werkelijkheden zijn niet tegen elkaar gekant, zijn elkaar niet vijandig, niet anti, maar staan alleen tegenover elkaar, spreken elkaar alleen maar tegen."​ Zoals wij al hebben gezien, houdt dit inzicht Mauthner er niet vanaf om over de dingen, bijvoorbeeld over de ijstijdcatastrofen,​ op dezelfde manier te spreken, als dat wij ze zien; want ons zien behoort immers ook, zoals wij later zullen zien — of vertellen — tot onze taal. Hij ziet echter geenszins over het hoofd, dat wij deze natuurlijke gebeurtenissen noch met de maatstaf van onze moraal, noch met de maatstaf van onze grootheden mogen meten; zoals hij dus aan het slot van zijn verhaal over de ijstijden nadrukkelijk de woorden plaatst: "De afzonderlijke mens wentelt rond in zijn kleinheid vernietigende gevoel. Er zijn maar weinigen sterk en die niet rondwentelen en glimlachend weten, dat kleinheid en grootte slechts woorden zijn, verhoudingen,​ niets werkelijks."​ Er moet nog opgemerkt worden dat die "​opheffing van de tegenstellingen,"​ heel subjectief opgevat, namelijk als een persoonlijk voorstel, om zich boven de tegenstellingen van onze tijdgenoten te verheffen, een waardevolle cultuurfactor kan zijn. Alleen heeft dat met dat kennistheoretische inzicht geen enkel raakpunt; het is een pijnlijke blunder, die maar al te vaak wordt begaan, om in het morele en kennistheoretische dezelfde woorden te gebruiken, beide in elkaar te proppen, totdat het opzwelt en vervolgens te geloven dat men iets positiefs heeft opgebouwd. Het is helaas een vergissing van onze tijd, dat elke goed wil — elke Bruno Wille — toereikend is voor een nieuwe religie.+Nogmaals: men kan een dergelijke wereldbeschouwing,​ die alle waarschijnlijkheid van onze inzichten ​mee heeft en verder meer is dan een hemels vervloeiende wereldbeschouwing,​ namelijk een aardebeschouwing,​ niet scherp genoeg tegenover de tegenwoordig als paddenstoelen ​in het bos omhoogschietende openbaringen stellen, waarvan de geestelijke vaders zich schuw en door de weerzinwekkende mensenwereld gekrenkt in hun fijngevoeligheid,​ teruggetrokken hebben en in plaats daarvan in Gods wijde wereld alles lieflijk en aangenaam vinden, temeer omdat deze spinsels zich hullen in zeer achtenswaardige,​ maar moreel verkeerd geduide kennistheoretische hypothesen. Bij gelegenheid kan tegelijkertijd sprake zijn van een soortgelijke poging van onze tijd, namelijk het weer opfrissen van het optimisme. Ik bedoel het onlangs door de gebroeders Hart verkondigde "​Opheffing van de tegenstellingen."​ Kennistheoretisch,​ vooral als kritiek op de causaliteit en helemaal op de concreetheid,​ zit daar zeker iets juists achter, vooral omdat ook Julius Hart, die deze ene gedachte als fundament voor iets positiefs beschouwt, er geen weet van heeft, dat tegenstellingen juist tot de vloek van de taal behoren en dat men zich niet alleen moet bevrijden van tegenstellingen,​ maar vooral van stellingen. Deze gedachte, namelijk dat tegenstellingen niet in de dingen zitten, maar in onze taal, treft men bij Mauthner heel duidelijk aan, eenvoudig verwoord en zonder het geloof dat er iets positiefs of verrukkelijks over de objectieve wereld wordt uitgesproken,​ als tegenstellingen als een subjectief element worden onthuld; hij zegt (II, 50): "Een tegenstrijdigheid is ondenkbaar in de wereld van de werkelijkheid. Die is alleen maar denkbaar en werkelijk in het spreken van de mensen….De werkelijkheden zijn niet tegen elkaar gekant, zijn elkaar niet vijandig, niet anti, maar staan alleen tegenover elkaar, spreken elkaar alleen maar tegen."​ Zoals wij al hebben gezien, houdt dit inzicht Mauthner er niet vanaf om over de dingen, bijvoorbeeld over de ijstijdcatastrofen,​ op dezelfde manier te spreken, als dat wij ze zien; want ons zien behoort immers ook, zoals wij later zullen zien — of vertellen — tot onze taal. Hij ziet echter geenszins over het hoofd, dat wij deze natuurlijke gebeurtenissen noch met de maatstaf van onze moraal, noch met de maatstaf van onze grootheden mogen meten; zoals hij dus aan het slot van zijn verhaal over de ijstijden nadrukkelijk de woorden plaatst: "De afzonderlijke mens wentelt rond in zijn kleinheid vernietigende gevoel. Er zijn maar weinigen sterk en die niet rondwentelen en glimlachend weten, dat kleinheid en grootte slechts woorden zijn, verhoudingen,​ niets werkelijks."​ Er moet nog opgemerkt worden dat die "​opheffing van de tegenstellingen,"​ heel subjectief opgevat, namelijk als een persoonlijk voorstel, om zich boven de tegenstellingen van onze tijdgenoten te verheffen, een waardevolle cultuurfactor kan zijn. Alleen heeft dat met dat kennistheoretische inzicht geen enkel raakpunt; het is een pijnlijke blunder, die maar al te vaak wordt begaan, om in het morele en kennistheoretische dezelfde woorden te gebruiken, beide in elkaar te proppen, totdat het opzwelt en vervolgens te geloven dat men iets positiefs heeft opgebouwd. Het is helaas een vergissing van onze tijd, dat elke goed wil — elke Bruno Wille — toereikend is voor een nieuwe religie.
  
 Men zou ze allemaal samen utopistische charlatans kunnen noemen, of hun belangstelling nou meer door de praktijk of door hun wereldbeschouwing in beweging gebracht wordt — al die mensen, die er op uit zijn om de wereld vanuit één punt te genezen. Ik heb de brochure van een Berlijnse filosofische schoenmaker gelezen, die alle ellende en ziekten van de mensen terugvoert op het feit dat men voor het verwijderen van bepaalde verteringsresten zijn toevlucht neemt tot een zittende bezigheid, in plaats van daarbij een, uit de gymnastiekles bekende, meer bos- en weideachtige houding in acht te nemen, die de mensheid heil en verlossing zou kunnen brengen. Bij de verdediging van zijn theorie ontbreekt het deze man geenszins aan verstand en gevoel, net zomin als die andere, die het hervormingshuwelijk heeft uitgevonden,​ waarbij men zich noch aan een bovenzinnelijke,​ noch aan een onzinnelijke onthouding van de voorplanting moet overgeven, om daardoor te bereiken dat men nooit zal sterven. Ik zou nog een heel aantal net zo vrolijke verhalen kunnen vertellen, want men hoeft maar bij een radicale beweging te horen, om door de bezitters van idée fixen als een geestverwant te worden beschouwd. Met een dergelijk idée fixe, het Archimedische punt gevonden te hebben om de wereldraadsels uit de hengsels te lichten, is helaas ook de aangehaalde veranderingsfilosofie van Julius Hart behept, die hij ons in het boek "De nieuwe wereldkennis"​ voorschotelt als de absolute waarheid. Dat boek is de proef op de som van de taalkritiek,​ omdat het louter problemen van taalcritici op het oog heeft, daaraan voorbij loenst en door het doden van oude woorden sprankelend nieuwe woorden baart, met kronen begiftigd en die als goddelijke waarheden aan alle volkeren wil verkondigen. Het zal daarom goed zijn, dat wij die nieuwe wereldbeschouwing grondiger bekijken; stel dat het de laatste is, die er aanspraak op maakt de waarheid te zijn — en de moraal van God te betrekken. Men zou ze allemaal samen utopistische charlatans kunnen noemen, of hun belangstelling nou meer door de praktijk of door hun wereldbeschouwing in beweging gebracht wordt — al die mensen, die er op uit zijn om de wereld vanuit één punt te genezen. Ik heb de brochure van een Berlijnse filosofische schoenmaker gelezen, die alle ellende en ziekten van de mensen terugvoert op het feit dat men voor het verwijderen van bepaalde verteringsresten zijn toevlucht neemt tot een zittende bezigheid, in plaats van daarbij een, uit de gymnastiekles bekende, meer bos- en weideachtige houding in acht te nemen, die de mensheid heil en verlossing zou kunnen brengen. Bij de verdediging van zijn theorie ontbreekt het deze man geenszins aan verstand en gevoel, net zomin als die andere, die het hervormingshuwelijk heeft uitgevonden,​ waarbij men zich noch aan een bovenzinnelijke,​ noch aan een onzinnelijke onthouding van de voorplanting moet overgeven, om daardoor te bereiken dat men nooit zal sterven. Ik zou nog een heel aantal net zo vrolijke verhalen kunnen vertellen, want men hoeft maar bij een radicale beweging te horen, om door de bezitters van idée fixen als een geestverwant te worden beschouwd. Met een dergelijk idée fixe, het Archimedische punt gevonden te hebben om de wereldraadsels uit de hengsels te lichten, is helaas ook de aangehaalde veranderingsfilosofie van Julius Hart behept, die hij ons in het boek "De nieuwe wereldkennis"​ voorschotelt als de absolute waarheid. Dat boek is de proef op de som van de taalkritiek,​ omdat het louter problemen van taalcritici op het oog heeft, daaraan voorbij loenst en door het doden van oude woorden sprankelend nieuwe woorden baart, met kronen begiftigd en die als goddelijke waarheden aan alle volkeren wil verkondigen. Het zal daarom goed zijn, dat wij die nieuwe wereldbeschouwing grondiger bekijken; stel dat het de laatste is, die er aanspraak op maakt de waarheid te zijn — en de moraal van God te betrekken.
Regel 211: Regel 211:
 Mauthner wijst de weg naar die vragen; ik zou met het volgende een soort antwoord in zijn geest willen geven: Mauthner wijst de weg naar die vragen; ik zou met het volgende een soort antwoord in zijn geest willen geven:
  
-2.+==== 2. ====
  
 +<​blockquote>​
 Men leert meer wijsheid Men leert meer wijsheid
  
Regel 221: Regel 222:
 maar zien wíjst meer naar buiten maar zien wíjst meer naar buiten
  
-        ​Meester Eckehart.+<​cite>​Meester Eckehart</​cite></​blockquote>​
  
-Er is geen verschil tussen+<​blockquote>​Er is geen verschil tussen
  
 het subject, dat kent en het het subject, dat kent en het
Regel 229: Regel 230:
 object, dat gekend wordt. object, dat gekend wordt.
  
-        ​Universiteit van Parijs, anno 1276.+<​cite>​Universiteit van Parijs, anno 1276</​cite></​blockquote>​
  
 Misschien heb ik tot nu toe de grondgedachte van het boek voldoende begrijpelijk weergegeven;​ wat mij echter nog lijkt te ontbreken is het blootleggen van het basisgevoel,​ van waaruit Mauthner te werk is gegaan; en wat uiteindelijk op hetzelfde neerkomt: er moet nog aangegeven worden met welk doel Mauthner ons dit wapen in handen heeft gegeven. In het kort: het doel is God. Ik denk dat mijn vermoeden juist is, als ik zeg: wat Mauthner bij deze opgave jaren lang heeft gesterkt en begeleid, was het gevoel, dat het tot dan toe noch Kant noch iemand anders gelukt was om met de onjuiste hypothese "​God"​ in het reine te komen. Om die daad te stellen moest men de taal aanvechten, sterker nog, men moest toegeven dat al onze kennis slechts taal is, — om het eens en voor altijd te stellen: of jullie het God noemen of morele wereldorde, doelmatigheid of diepere betekenis van de wereld, onderzoek naar de waarheid of naar kenbaarheid van de wereld, — het is steeds hetzelfde: het geloof de wereld uit te kunnen spreken, is het geloof in God. Wat jullie telkens maar weer over de wereld zeggen, zijn woorden. Dat wil zeggen: het is niet waar. Waarheid betekende tot nu toe altijd: zo is het; als dat woord in het vervolg gebruikt zal worden, moet het betekenen: het is anders. Het woord werkelijkheid mogen we rustig blijven gebruiken voor onze wereld der verschijnselen,​ voor datgene wat ons beïnvloed en waar wij weer invloed op uitoefenen; waarheid is echter een volstrekt negatief woord, de negatie bij uitstek, en daarom inderdaad thema en doel van de hele wetenschap, waarvan de resultaten altijd slechts negatief van aard zijn. Daarom is het ook geen tegenstrijdigheid,​ dat Mauthners gevecht tegen de taal met woorden gevoerd wordt: want het is juist de taak van de begripsmatige taal om zich bezig te houden met wat niet bestaat en wat tot dan toe geloofd is, te negeren. Alles is anders, dat is de formule van heel onze waarheid. Op dat vermoeden is het ongetwijfeld terug te voeren dat men achter de dood de oplossing van de grote raadsels heeft gezocht; ik zou willen zeggen dat men de onjuiste conclusie heeft getrokken om uit het gevoel dat waarheid – anderszijn is, te concluderen dat er alleen maar een grote verandering met ons zou hoeven plaats te vinden, om alles te kunnen weten. Een dergelijke verandering is echter ook weer iets positiefs, slechts een toestand; dat anders-zijn geeft alleen uitdrukking aan de negatie en zou door "​nooit"​ vervangen kunnen worden. In deze opvatting valt "​waarheid"​ natuurlijk ook samen met het "ding op zich." Wat zit er achter onze werkelijkheid?​ Iets anders! Hoe is de wereld op zich? Anders! Misschien heb ik tot nu toe de grondgedachte van het boek voldoende begrijpelijk weergegeven;​ wat mij echter nog lijkt te ontbreken is het blootleggen van het basisgevoel,​ van waaruit Mauthner te werk is gegaan; en wat uiteindelijk op hetzelfde neerkomt: er moet nog aangegeven worden met welk doel Mauthner ons dit wapen in handen heeft gegeven. In het kort: het doel is God. Ik denk dat mijn vermoeden juist is, als ik zeg: wat Mauthner bij deze opgave jaren lang heeft gesterkt en begeleid, was het gevoel, dat het tot dan toe noch Kant noch iemand anders gelukt was om met de onjuiste hypothese "​God"​ in het reine te komen. Om die daad te stellen moest men de taal aanvechten, sterker nog, men moest toegeven dat al onze kennis slechts taal is, — om het eens en voor altijd te stellen: of jullie het God noemen of morele wereldorde, doelmatigheid of diepere betekenis van de wereld, onderzoek naar de waarheid of naar kenbaarheid van de wereld, — het is steeds hetzelfde: het geloof de wereld uit te kunnen spreken, is het geloof in God. Wat jullie telkens maar weer over de wereld zeggen, zijn woorden. Dat wil zeggen: het is niet waar. Waarheid betekende tot nu toe altijd: zo is het; als dat woord in het vervolg gebruikt zal worden, moet het betekenen: het is anders. Het woord werkelijkheid mogen we rustig blijven gebruiken voor onze wereld der verschijnselen,​ voor datgene wat ons beïnvloed en waar wij weer invloed op uitoefenen; waarheid is echter een volstrekt negatief woord, de negatie bij uitstek, en daarom inderdaad thema en doel van de hele wetenschap, waarvan de resultaten altijd slechts negatief van aard zijn. Daarom is het ook geen tegenstrijdigheid,​ dat Mauthners gevecht tegen de taal met woorden gevoerd wordt: want het is juist de taak van de begripsmatige taal om zich bezig te houden met wat niet bestaat en wat tot dan toe geloofd is, te negeren. Alles is anders, dat is de formule van heel onze waarheid. Op dat vermoeden is het ongetwijfeld terug te voeren dat men achter de dood de oplossing van de grote raadsels heeft gezocht; ik zou willen zeggen dat men de onjuiste conclusie heeft getrokken om uit het gevoel dat waarheid – anderszijn is, te concluderen dat er alleen maar een grote verandering met ons zou hoeven plaats te vinden, om alles te kunnen weten. Een dergelijke verandering is echter ook weer iets positiefs, slechts een toestand; dat anders-zijn geeft alleen uitdrukking aan de negatie en zou door "​nooit"​ vervangen kunnen worden. In deze opvatting valt "​waarheid"​ natuurlijk ook samen met het "ding op zich." Wat zit er achter onze werkelijkheid?​ Iets anders! Hoe is de wereld op zich? Anders!
Regel 243: Regel 244:
 De tegenwerping dat onze taal nu eenmaal van huis uit materialistisch is, raakt ons in dit stadium helemaal niet en kan ons er niet vanaf houden om verder te gaan. Het zegt niets anders, dan dat de abstracte begrippen, waarmee volksgeloof en wetenschap werken, zich niet van het karakter van het zintuiglijke kunnen ontdoen, zodat bijvoorbeeld atoom, ether en dergelijke woorden, niets anders zijn dan onvoorstelbare producten van ruimtelijke voorstellingen,​ die ons echter nooit kunnen bevrijden van zintuiglijke indrukken. Zolang men woorden woordelijk en zintuigen zintuiglijk opvat en zolang men uit het zintuiglijke en zijn woordenschat een positieve waarheid wil scheppen, is het een juist en belangrijk bezwaar, dat taal ons geen spat verder kan brengen. Hier echter, in dit stadium van kunstmatige kennis en bewuste metafoor, is onze hele taal slechts een symbool voor het niet verder uitspreekbare,​ het niet-materiële. Die dienst heeft de taal altijd al als woordkunst verricht. Laten we een voorbeeld uit Goethe nemen, dat zich bij het toevallig openslaan van een van zijn boeken aanbiedt: De tegenwerping dat onze taal nu eenmaal van huis uit materialistisch is, raakt ons in dit stadium helemaal niet en kan ons er niet vanaf houden om verder te gaan. Het zegt niets anders, dan dat de abstracte begrippen, waarmee volksgeloof en wetenschap werken, zich niet van het karakter van het zintuiglijke kunnen ontdoen, zodat bijvoorbeeld atoom, ether en dergelijke woorden, niets anders zijn dan onvoorstelbare producten van ruimtelijke voorstellingen,​ die ons echter nooit kunnen bevrijden van zintuiglijke indrukken. Zolang men woorden woordelijk en zintuigen zintuiglijk opvat en zolang men uit het zintuiglijke en zijn woordenschat een positieve waarheid wil scheppen, is het een juist en belangrijk bezwaar, dat taal ons geen spat verder kan brengen. Hier echter, in dit stadium van kunstmatige kennis en bewuste metafoor, is onze hele taal slechts een symbool voor het niet verder uitspreekbare,​ het niet-materiële. Die dienst heeft de taal altijd al als woordkunst verricht. Laten we een voorbeeld uit Goethe nemen, dat zich bij het toevallig openslaan van een van zijn boeken aanbiedt:
  
-Zoals de rotsige afgrond mij drukkend+<​blockquote>​Zoals de rotsige afgrond mij drukkend
  
 In deze afgrond aan de voeten rust, In deze afgrond aan de voeten rust,
Regel 259: Regel 260:
 Die alles vormt en alles koestert. Die alles vormt en alles koestert.
  
-(uit Faust)+<​cite>​(uit Faust)</​cite>​ 
 +</​blockquote>​
  
 Wat deze begrippen ons doorgeven, is noch een abstractie, noch een uiterlijke waarneming: de woorden en zinnenbeelden zijn slechts metaforen voor iets innerlijks, dat Goethe ons weet mee te delen. Ik bedoel dus: op dezelfde manier waarop wij in staat zijn om met behulp van beeldende uitdrukkingsvormen ons innerlijk weer te geven, kunnen wij ook, om een samenhangend wereldbeeld te vormen, dat wij nodig hebben, de wereld beschrijven als iets psychisch, door gebruik te maken van woorden, die echter slechts iets uiterlijks betekenen; maar wat zintuiglijk uitgedrukt en zintuiglijk waargenomen wordt, moet ons alleen maar aan het psychische herinneren. De taak voor iemand die een samenhangend wereldbeeld wil vormen, is dus: het materiële als iets psychisch weer te geven. Dat wil zeggen: op een geloofwaardige manier laten zien, dat de materie, wat in de buitenwereld wordt waargenomen,​ slechts een metaforische beschrijving,​ een zintuiglijk beeld of een symbool van psychische gebeurtenissen is. Als het mogelijk is, moet tussen de buitenwereld en ons Ik-gevoel een overeenkomst,​ een vergelijkingspunt aanwezig zijn. Dat is het geval; en de mechanica heeft ons dit tertium comperationis voldoende dichtbij gebracht: ik bedoel het getal. Het getal is de weg van ruimte naar tijd, van de dingen naar het stromen van het psychische, van mimiek naar muziek, van wereldbeschouwing naar het luisteren naar de wereld, de weg naar een nieuwe metafoor. Wat deze begrippen ons doorgeven, is noch een abstractie, noch een uiterlijke waarneming: de woorden en zinnenbeelden zijn slechts metaforen voor iets innerlijks, dat Goethe ons weet mee te delen. Ik bedoel dus: op dezelfde manier waarop wij in staat zijn om met behulp van beeldende uitdrukkingsvormen ons innerlijk weer te geven, kunnen wij ook, om een samenhangend wereldbeeld te vormen, dat wij nodig hebben, de wereld beschrijven als iets psychisch, door gebruik te maken van woorden, die echter slechts iets uiterlijks betekenen; maar wat zintuiglijk uitgedrukt en zintuiglijk waargenomen wordt, moet ons alleen maar aan het psychische herinneren. De taak voor iemand die een samenhangend wereldbeeld wil vormen, is dus: het materiële als iets psychisch weer te geven. Dat wil zeggen: op een geloofwaardige manier laten zien, dat de materie, wat in de buitenwereld wordt waargenomen,​ slechts een metaforische beschrijving,​ een zintuiglijk beeld of een symbool van psychische gebeurtenissen is. Als het mogelijk is, moet tussen de buitenwereld en ons Ik-gevoel een overeenkomst,​ een vergelijkingspunt aanwezig zijn. Dat is het geval; en de mechanica heeft ons dit tertium comperationis voldoende dichtbij gebracht: ik bedoel het getal. Het getal is de weg van ruimte naar tijd, van de dingen naar het stromen van het psychische, van mimiek naar muziek, van wereldbeschouwing naar het luisteren naar de wereld, de weg naar een nieuwe metafoor.
Regel 273: Regel 275:
 Op die manier wordt de wereld opgevat als een oneindig gecompliceerde kruising van machtssystemen. Er is geen enkele aanleiding om deze gecompliceerdheid te schuwen; alle wereldbeschouwingen lijken voor ons zo armzalig, omdat ze met behulp van abstracties,​ die naarmate ze vager waren, steeds deugdzamer werden, probeerden om de wereld in een eenvoudige, zomogelijk morele formule onder te brengen. De wereld is niet eenvoudig; en wij hebben geen reden om bang te zijn voor het microscopische detail. Evenzeer als de natuurwetenschap en mechanica in details zijn getreden, moet de symbolische uitleg van deze materiele symbolen, die die wetenschappen ons hebben verschaft, dat doen. De geesteswetenschappen hebben lang genoeg rondgehangen rond een paar armzalige fraai klinkende oppervlakkigheden. Op die manier wordt de wereld opgevat als een oneindig gecompliceerde kruising van machtssystemen. Er is geen enkele aanleiding om deze gecompliceerdheid te schuwen; alle wereldbeschouwingen lijken voor ons zo armzalig, omdat ze met behulp van abstracties,​ die naarmate ze vager waren, steeds deugdzamer werden, probeerden om de wereld in een eenvoudige, zomogelijk morele formule onder te brengen. De wereld is niet eenvoudig; en wij hebben geen reden om bang te zijn voor het microscopische detail. Evenzeer als de natuurwetenschap en mechanica in details zijn getreden, moet de symbolische uitleg van deze materiele symbolen, die die wetenschappen ons hebben verschaft, dat doen. De geesteswetenschappen hebben lang genoeg rondgehangen rond een paar armzalige fraai klinkende oppervlakkigheden.
  
-In de natuurwetenschap heeft men al duizenden jaren moeite gedaan om alle gebeurtenissen,​ fysiologische en chemische, licht, kleur, warmte en elektriciteit terug te brengen tot de mechanica. Dat wil zeggen: tot het bewegen van minuscule stofdeeltjes,​ die eigenlijk helemaal niet meer te onderscheiden waren en waar zelfs niets stoffelijks meer aan zat. Men wilde alles terugbrengen tot de beweging van een eenheid, waarvan eigenlijk de enige eigenschap beweging was. Waarom men dat wilde en waarom men niet, wat men zonder twijfel evengoed had kunnen proberen, bijvoorbeeld elke beweging wilde uitdrukken met behulp van warmtegraden of als maat van alle dingen helemaal een bepaalde andere zintuigenergie had aangenomen, wilde men nooit duidelijkheid verkrijgen. En toch lijkt mij de verborgen reden volkomen duidelijk: men wilde het kwalitatieve de wereld uit krijgen en vervangen door het kwantitatieve;​ secundaire eigenschappen moesten door primaire vervangen worden. Kant dreef al de spot met mechanici, die altijd empirisch willen blijven en die toch bij het begin van hun onderzoek de "​metafysische veronderstelling"​ maken, dat in de ruimte het werkelijke zich alleen naar gelang de uitgebreide grootte zou kunnen onderscheiden. Het streven van de mechanici is om de wereld zielloos, kleurloos, geurloos en klankloos te maken; smakeloos wordt zij bij die methode ook. Er moesten louter zuivere ruimtelijke verhoudingen overblijven,​ die die hele chaos zintuiglijk verklaarden. Zo zijn zij ertoe gekomen om de wereld in getalsverhoudingen uit te drukken, waarvan de naam geen rol meer speelt. Ze hebben van de wereld een getal gemaakt, en waar ze nog niet zover zijn, zijn ze toch op de goede weg. Het getal is echter niet alleen de maat van de ruimte, maar ook van de tijd, niet alleen van de abstract waargenomen bewegingen, maar ook van de intensiteit van al onze zintuiglijke energieën, niet alleen van het materiele ​buiten, maar ook van het psychische binnen. De opgave van degenen, die vorm willen geven aan het wereldbeeld,​ lijkt mij, dat ze met behulp van de resultaten van de mechanistische wetenschap kloppende getalsverhoudingen moeten vinden voor het intensieve en het systeem van het psychische stromen. In plaats van concreetheid en causaliteit moeten intensiteit,​ stromen, psyche komen en in plaats van de ruimte tijd. Ruimtelijke kwantiteiten zijn slechts figuurlijke verhoudingsgetallen voor de oneindig gedifferentieerde kwaliteiten van de tijd. Het zijn moet veranderd worden in worden, zoals Nietzsche dat in ‘Willen zur Macht' zegt; de gedachten daaruit hebben vaak raakpunten met deze uitwerkingen,​ die echter al opgeschreven waren vóór de publicatie van dat naslagwerk en uiteindelijk ook op iets heel anders uitkomen, omdat Nietzsche namelijk, zoals straks nog vermeld zal worden, in dat boek een systematische moralist zou zijn geweest, als hij het voltooid zou hebben.+In de natuurwetenschap heeft men al duizenden jaren moeite gedaan om alle gebeurtenissen,​ fysiologische en chemische, licht, kleur, warmte en elektriciteit terug te brengen tot de mechanica. Dat wil zeggen: tot het bewegen van minuscule stofdeeltjes,​ die eigenlijk helemaal niet meer te onderscheiden waren en waar zelfs niets stoffelijks meer aan zat. Men wilde alles terugbrengen tot de beweging van een eenheid, waarvan eigenlijk de enige eigenschap beweging was. Waarom men dat wilde en waarom men niet, wat men zonder twijfel evengoed had kunnen proberen, bijvoorbeeld elke beweging wilde uitdrukken met behulp van warmtegraden of als maat van alle dingen helemaal een bepaalde andere zintuigenergie had aangenomen, wilde men nooit duidelijkheid verkrijgen. En toch lijkt mij de verborgen reden volkomen duidelijk: men wilde het kwalitatieve de wereld uit krijgen en vervangen door het kwantitatieve;​ secundaire eigenschappen moesten door primaire vervangen worden. Kant dreef al de spot met mechanici, die altijd empirisch willen blijven en die toch bij het begin van hun onderzoek de "​metafysische veronderstelling"​ maken, dat in de ruimte het werkelijke zich alleen naar gelang de uitgebreide grootte zou kunnen onderscheiden. Het streven van de mechanici is om de wereld zielloos, kleurloos, geurloos en klankloos te maken; smakeloos wordt zij bij die methode ook. Er moesten louter zuivere ruimtelijke verhoudingen overblijven,​ die die hele chaos zintuiglijk verklaarden. Zo zijn zij ertoe gekomen om de wereld in getalsverhoudingen uit te drukken, waarvan de naam geen rol meer speelt. Ze hebben van de wereld een getal gemaakt, en waar ze nog niet zover zijn, zijn ze toch op de goede weg. Het getal is echter niet alleen de maat van de ruimte, maar ook van de tijd, niet alleen van de abstract waargenomen bewegingen, maar ook van de intensiteit van al onze zintuiglijke energieën, niet alleen van het materiële ​buiten, maar ook van het psychische binnen. De opgave van degenen, die vorm willen geven aan het wereldbeeld,​ lijkt mij, dat ze met behulp van de resultaten van de mechanistische wetenschap kloppende getalsverhoudingen moeten vinden voor het intensieve en het systeem van het psychische stromen. In plaats van concreetheid en causaliteit moeten intensiteit,​ stromen, psyche komen en in plaats van de ruimte tijd. Ruimtelijke kwantiteiten zijn slechts figuurlijke verhoudingsgetallen voor de oneindig gedifferentieerde kwaliteiten van de tijd. Het zijn moet veranderd worden in worden, zoals Nietzsche dat in ‘Willen zur Macht' zegt; de gedachten daaruit hebben vaak raakpunten met deze uitwerkingen,​ die echter al opgeschreven waren vóór de publicatie van dat naslagwerk en uiteindelijk ook op iets heel anders uitkomen, omdat Nietzsche namelijk, zoals straks nog vermeld zal worden, in dat boek een systematische moralist zou zijn geweest, als hij het voltooid zou hebben.
  
-Zo krijgt het inzicht van Schopenhauer,​ dat de muziek andermaal de wereld is, een nieuwe betekenis: ze is een poging van de kunstkennis,​ de verinnerlijking van de wereld, om met behulp van kwalitatief klinkende getalsverhoudingen een beeld van de wereld als psyche te schetsen, een taal te scheppen voor het terrein van de intensiteiten. Het oog, het ruimtezintuig,​ heeft ons de abstracties van het extensieve geleverd, totdat wij merkten dat wij ons innerlijk niet in ruimtelijke formules konden uitdrukken; misschien kan het gehoor, het tijdzintuig, de droom- en klankbeelden leveren, die wij nodig hebben om de symbolen, die wij als buitenwereld waarnemen, in een verloop in de tijd te veranderen. Als wij op die manier ruimte en materie slechts als een symbool voor intensieve gebeurtenissen in de tijd opvatten, als een zinsbegoocheling,​ die wij een andere betekenis moeten geven, vullen we misschien de afgrond op, die tot nu toe ons innerlijke bestaan en onze buitenwereld van elkaar heeft gescheiden. Wij houden dan op om ons innerlijke leven als raadsel en de ruimtelijke wereld als iets spookachtigs te beschouwen: beiden gaan dan op in een oneindig veelvoudige,​ psychische tijdstroom, waarvan wij de geheimzinnige,​ warrige kronkels met behulp van de metaforen van onze zintuigen nog verder moeten onderzoeken. De waarheid voorbij het ons eigene, interesseert ons niet, omdat wij weten, dat wij daar niets over weten; het vreemde echter, dat wij tot nu toe als buitenwereld hebben laten liggen, moeten we veranderen in iets eigens. Misschien komen we op die manier, door verscherping en verfijning van al onze intensiteiten,​ ook tot nieuwe betekenissen,​ tot nieuwe beelden, waar wij nu nog geen enkel vermoeden van hebben.+Zo krijgt het inzicht van Schopenhauer,​ dat de muziek andermaal de wereld is, een nieuwe betekenis: ze is een poging van de kunstkennis,​ de verinnerlijking van de wereld, om met behulp van kwalitatief klinkende getalsverhoudingen een beeld van de wereld als psyche te schetsen, een taal te scheppen voor het terrein van de intensiteiten. Het oog, het ruimtezintuig,​ heeft ons de abstracties van het extensieve geleverd, totdat wij merkten dat wij ons innerlijk niet in ruimtelijke formules konden uitdrukken; misschien kan het gehoor, het tijdszintuig, de droom- en klankbeelden leveren, die wij nodig hebben om de symbolen, die wij als buitenwereld waarnemen, in een verloop in de tijd te veranderen. Als wij op die manier ruimte en materie slechts als een symbool voor intensieve gebeurtenissen in de tijd opvatten, als een zinsbegoocheling,​ die wij een andere betekenis moeten geven, vullen we misschien de afgrond op, die tot nu toe ons innerlijke bestaan en onze buitenwereld van elkaar heeft gescheiden. Wij houden dan op om ons innerlijke leven als raadsel en de ruimtelijke wereld als iets spookachtigs te beschouwen: beiden gaan dan op in een oneindig veelvoudige,​ psychische tijdstroom, waarvan wij de geheimzinnige,​ warrige kronkels met behulp van de metaforen van onze zintuigen nog verder moeten onderzoeken. De waarheid voorbij het ons eigene, interesseert ons niet, omdat wij weten, dat wij daar niets over weten; het vreemde echter, dat wij tot nu toe als buitenwereld hebben laten liggen, moeten we veranderen in iets eigens. Misschien komen we op die manier, door verscherping en verfijning van al onze intensiteiten,​ ook tot nieuwe betekenissen,​ tot nieuwe beelden, waar wij nu nog geen enkel vermoeden van hebben.
  
 Als wij een beeld willen hebben van het leven, dat de wereld in de mens vindt, dus voor zijn hele bestaan, zijn waarnemen van de uiterlijke dingen en zijn meewerken en tegenwerken,​ zijn voelen, zijn piekeren en dromen, zijn woede en liefde, zijn denken en besluiten, alles wat innerlijk aanwezig is, dan zou bijvoorbeeld het volgende gezegd kunnen worden. Ons hele bestaan bestaat uit momentpunten,​ geen ruimtepunten of atomen, maar gevoelspunten,​ waarvan het ene meteen plaats maakt voor het andere, en zo steeds verder. Het is echter niet zo, dat elk punt meteen verdwijnt en dat er vervolgens een verschijnt, dat ook meteen weer verdwijnt enzovoort: dat is geen beeld dat te bedenken valt; het zou zelfs helemaal niets zijn, als het zo zou zijn. Elk gevoelspunt heeft eerder zijn eigen natuurlijke verderklinken en wegebben en is werkelijk, omdat het die zwakke en vervluchtigende duur heeft, die men herinnering of zelfbewustzijn (conscientia sui) zou kunnen noemen, als die woorden niet meestal anders bedoeld zouden zijn. Men hoeft zich slechts voor de geest te halen, hoe men stilletjes bij zichzelf iets geestelijks of een gebeurtenis bedenkt; het is zoals wanneer de wind in vlagen in het gezicht waait, dat men de lucht tegenhoudt: dat is een overal verspreide lucht, waarin men staat; het is het geheel van het eerdere leven, dat langzaam afzwakkende,​ oneindig ijle, dat toch als een stilstaand geheel en atmosfeer is, en daar zijn bewegingen en trillingen van het moment, die er nog zijn, als er al een nieuwe vlaag aankomt; en als de derde eraan komt, is de tweede nog heel duidelijk aanwezig en de eerste al aan het vervliegen, en als de vierde komt, is de derde nog duidelijk aanwezig en de tweede aan het verdwijnen en is de eerste een nog een heel ververwijderd,​ onzegbaar teer vervluchtigend wolkje; en daar is dan al de vijfde, de vierde is ook nog actief, de derde zal wegsmelten, de tweede is een zuchtje, en de eerste is verdwenen in het alomaanwezige van het leven, waartegen de vlagen aanwaaien. We moeten nu bedenken dat die vlagen door orgelpijpen heengaan; we horen de tonen die zo ontstaan en wegsterven, die nog aanwezig zijn, als de tweede luid naderbijsnelt,​ en zo samen een concert vormen, waarin een eeuwig snel komen van nieuwe en een langzaam gaan van oude tonen plaatsvindt. Maar dat concert is nog veel, veel afwisselender:​ want elke toon, die de oude de kracht ontneemt en in het duister wegschuift, blaast tegelijkertijd nog veel oudere tonen, die al lang begraven en bedolven leken, een nieuw, zij het ook slechts schimmig en geleend leven in: al die gevoelspunten zijn eeuwig levend en eeuwig wederkerend,​ en eeuwig luiden ze, als verre klokken, die vergeten zijn en nu gedwee en gevoelig in de wind hangen, ons nieuwe leven binnen. De wind waait van woede, maar de klokken der liefde en gelukzaligheid,​ van innigheid en verzonken zijn, luiden echter zilverachtig trillend door het gebulder heen; en tegelijkertijd ontwaken alle oude razernijen en rukken aan hun touwen; en de wind waait van hunkering en de verlatenheid uit de eerste kinderjaren komt boven en luidt; en alle harten, die ooit in de eigen borst waren gehangen, gaan trillen en luiden; en alle bedachtzame gedachten ontwaken en roepen daar tussendoor. Wat een enorme, eindeloze, wereldwijde symfonie! En toch een, die slechts heel zelden fortissimo wordt; men moet wel een ziekelijke of geniaal opgevoerde ondervinding hebben, zodat het hele leven vanuit de graven en afgronden wild door elkaar schreeuwt; in de alledaagse sleur betekent ons duidelijk waarneembare ervaren echter een aanzienlijke rust, als wij dus nooit weten, of het volgende moment niet het diepste, meeste begravene en onvermoede omhoogbrengt. Als wij een beeld willen hebben van het leven, dat de wereld in de mens vindt, dus voor zijn hele bestaan, zijn waarnemen van de uiterlijke dingen en zijn meewerken en tegenwerken,​ zijn voelen, zijn piekeren en dromen, zijn woede en liefde, zijn denken en besluiten, alles wat innerlijk aanwezig is, dan zou bijvoorbeeld het volgende gezegd kunnen worden. Ons hele bestaan bestaat uit momentpunten,​ geen ruimtepunten of atomen, maar gevoelspunten,​ waarvan het ene meteen plaats maakt voor het andere, en zo steeds verder. Het is echter niet zo, dat elk punt meteen verdwijnt en dat er vervolgens een verschijnt, dat ook meteen weer verdwijnt enzovoort: dat is geen beeld dat te bedenken valt; het zou zelfs helemaal niets zijn, als het zo zou zijn. Elk gevoelspunt heeft eerder zijn eigen natuurlijke verderklinken en wegebben en is werkelijk, omdat het die zwakke en vervluchtigende duur heeft, die men herinnering of zelfbewustzijn (conscientia sui) zou kunnen noemen, als die woorden niet meestal anders bedoeld zouden zijn. Men hoeft zich slechts voor de geest te halen, hoe men stilletjes bij zichzelf iets geestelijks of een gebeurtenis bedenkt; het is zoals wanneer de wind in vlagen in het gezicht waait, dat men de lucht tegenhoudt: dat is een overal verspreide lucht, waarin men staat; het is het geheel van het eerdere leven, dat langzaam afzwakkende,​ oneindig ijle, dat toch als een stilstaand geheel en atmosfeer is, en daar zijn bewegingen en trillingen van het moment, die er nog zijn, als er al een nieuwe vlaag aankomt; en als de derde eraan komt, is de tweede nog heel duidelijk aanwezig en de eerste al aan het vervliegen, en als de vierde komt, is de derde nog duidelijk aanwezig en de tweede aan het verdwijnen en is de eerste een nog een heel ververwijderd,​ onzegbaar teer vervluchtigend wolkje; en daar is dan al de vijfde, de vierde is ook nog actief, de derde zal wegsmelten, de tweede is een zuchtje, en de eerste is verdwenen in het alomaanwezige van het leven, waartegen de vlagen aanwaaien. We moeten nu bedenken dat die vlagen door orgelpijpen heengaan; we horen de tonen die zo ontstaan en wegsterven, die nog aanwezig zijn, als de tweede luid naderbijsnelt,​ en zo samen een concert vormen, waarin een eeuwig snel komen van nieuwe en een langzaam gaan van oude tonen plaatsvindt. Maar dat concert is nog veel, veel afwisselender:​ want elke toon, die de oude de kracht ontneemt en in het duister wegschuift, blaast tegelijkertijd nog veel oudere tonen, die al lang begraven en bedolven leken, een nieuw, zij het ook slechts schimmig en geleend leven in: al die gevoelspunten zijn eeuwig levend en eeuwig wederkerend,​ en eeuwig luiden ze, als verre klokken, die vergeten zijn en nu gedwee en gevoelig in de wind hangen, ons nieuwe leven binnen. De wind waait van woede, maar de klokken der liefde en gelukzaligheid,​ van innigheid en verzonken zijn, luiden echter zilverachtig trillend door het gebulder heen; en tegelijkertijd ontwaken alle oude razernijen en rukken aan hun touwen; en de wind waait van hunkering en de verlatenheid uit de eerste kinderjaren komt boven en luidt; en alle harten, die ooit in de eigen borst waren gehangen, gaan trillen en luiden; en alle bedachtzame gedachten ontwaken en roepen daar tussendoor. Wat een enorme, eindeloze, wereldwijde symfonie! En toch een, die slechts heel zelden fortissimo wordt; men moet wel een ziekelijke of geniaal opgevoerde ondervinding hebben, zodat het hele leven vanuit de graven en afgronden wild door elkaar schreeuwt; in de alledaagse sleur betekent ons duidelijk waarneembare ervaren echter een aanzienlijke rust, als wij dus nooit weten, of het volgende moment niet het diepste, meeste begravene en onvermoede omhoogbrengt.
Regel 288: Regel 290:
 Bij het derde deel van de taalkritiek (Taal en Grammatica / Taal en Logica. Bijdragen aan een Kritiek der Taal, Derde deel, 1913) Bij het derde deel van de taalkritiek (Taal en Grammatica / Taal en Logica. Bijdragen aan een Kritiek der Taal, Derde deel, 1913)
  
-Natura infinita est,+<​blockquote>​Natura infinita est,
 sed qui symbola animadverterit. sed qui symbola animadverterit.
 omnia intelliget, omnia intelliget,
Regel 296: Regel 298:
 maar niet helemaal maar niet helemaal
  
- +<​cite>​Thomas Campanella, geciteerd door Goethe in "Over Morfologie."​</​cite></​blockquote>​
-Thomas Campanella, geciteerd door Goethe in "Over Morfologie."​+
  
 In Fritz Mauthners roman "​Hypatia"​ komt een oude Alexandrijnse jood voor die, als hij keizer Julianus de Afvallige ziet werken, handenwringend uitroept: "hij wil alles zelf doen!" Mauthner heeft de monarch, die toch zo ijverig bezig is met de verdere ontwikkeling van de religie, afgeschilderd als een soort dilettant op de keizerstroon,​ en die uitspraak heeft bij hem dus een spottende ondertoon. Voor mij slaat het echter, met de toon van een verwonderd respect, op Mauthner zelf, omdat ik voor de taak sta om naar aanleiding van het laatste deel van het werk nog eenmaal een poging te wagen om de betekenis van de taalkritiek samen te vatten. Dat kan alleen maar slagen, als men het boek vanuit verschillende standpunten meerdere malen in zijn geheel bekijkt. In zijn geheel, zeg ik, hoewel Mauthner het nog niet als afgesloten ziet; hij verzekert ons dat al in het voorwoord bij het eerste deel, hoewel hij – dat kan men rustig stellen – meer voor zijn eigen gedachten heeft gedaan dan ooit een denker voor de zijne. Maar: "hij wil alles zelf doen." In Fritz Mauthners roman "​Hypatia"​ komt een oude Alexandrijnse jood voor die, als hij keizer Julianus de Afvallige ziet werken, handenwringend uitroept: "hij wil alles zelf doen!" Mauthner heeft de monarch, die toch zo ijverig bezig is met de verdere ontwikkeling van de religie, afgeschilderd als een soort dilettant op de keizerstroon,​ en die uitspraak heeft bij hem dus een spottende ondertoon. Voor mij slaat het echter, met de toon van een verwonderd respect, op Mauthner zelf, omdat ik voor de taak sta om naar aanleiding van het laatste deel van het werk nog eenmaal een poging te wagen om de betekenis van de taalkritiek samen te vatten. Dat kan alleen maar slagen, als men het boek vanuit verschillende standpunten meerdere malen in zijn geheel bekijkt. In zijn geheel, zeg ik, hoewel Mauthner het nog niet als afgesloten ziet; hij verzekert ons dat al in het voorwoord bij het eerste deel, hoewel hij – dat kan men rustig stellen – meer voor zijn eigen gedachten heeft gedaan dan ooit een denker voor de zijne. Maar: "hij wil alles zelf doen."
namespace/scepsis_en_mystiek.txt · Laatst gewijzigd: 18/08/17 07:11 door defiance