Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


namespace:anarchisme_van_de_daad

Verschillen

Dit geeft de verschillen weer tussen de geselecteerde revisie en de huidige revisie van de pagina.

Link naar deze vergelijking

Beide kanten vorige revisie Vorige revisie
Volgende revisie
Vorige revisie
namespace:anarchisme_van_de_daad [05/08/19 14:46]
defiance
namespace:anarchisme_van_de_daad [16/10/19 10:14] (huidige)
Regel 37: Regel 37:
 ==== Socialistisch zelfbestuur ==== ==== Socialistisch zelfbestuur ====
  
-Op een derde terrein werden soortgelijke invloeden merkbaar: de democratisering van het beheer der bedrijven in de communistische staten. In dit opzicht heeft Joegoslavië de spits afgebeten door een systeem in te voeren, dat enigszins geleek op dat der anarcho-syndicalisten in Catalonië tijdens de Spaanse burgeroorlog. Dezen hadden te maken met het feit, dat zij het bestaan van de staat moesten verenigen met het zelfbeheer der gesocialiseerde ondernemingen en de collectivisering van de dorpseconomie. Vandaar dat de wetten van het autonome Catalonië richtlijnen voorschreven voor de grenzen, waarbinnen de werkenden vrij konden zijn in hun +Op een derde terrein werden soortgelijke invloeden merkbaar: de democratisering van het beheer der bedrijven in de communistische staten. In dit opzicht heeft Joegoslavië de spits afgebeten door een systeem in te voeren, dat enigszins geleek op dat der anarcho-syndicalisten in Catalonië tijdens de Spaanse burgeroorlog. Dezen hadden te maken met het feit, dat zij het bestaan van de staat moesten verenigen met het zelfbeheer der gesocialiseerde ondernemingen en de collectivisering van de dorpseconomie. Vandaar dat de wetten van het autonome Catalonië richtlijnen voorschreven voor de grenzen, waarbinnen de werkenden vrij konden zijn in hun ‘communes’. In Joegoslavië waren het marxisten, die sinds 1950 de zelfwerkzaamheid van de leden van een bedrijf wilden opwekken door hun een grote mate van medezeggenschap te verlenen. De theorieën van het anarchisme bieden op zichzelf weinig mogelijkheden om samen te werken met een regering, en wat dit aangaat gedroegen de Catalaanse syndicalisten zich weinig orthodox. Maar het marxisme houdt vele mogelijkheden in om een ‘afsterven van de staat’ te bepleiten. Weliswaar is deze tendens tegenstrijdig aan het overwegend staatlievende karakter van de denkbeelden van Marx. Maar deze heeft toch belangrijke concessies moeten doen aan de idealen van de Parijse Commune, die in 1871 zeer populair waren. In zijn '​Bürgerkrieg in Frankreich’ heeft hij menige buiging moeten maken in de richting van zijn grootste tegenstander,​ Bakoenin, toen hij betoogde dat hij in principe ‘het stukslaan van de staat’ aanvaardde. In 1917 heeft Lenin zijn ‘Staat en revolutie’ geschreven, waarin ook hij, zich bewust van de invloed van het anarchisme in Rusland, in uitzicht stelde dat in de verdere evolutie van het socialisme de staat zou ophouden te bestaan. Onder ‘dictatuur van het proletariaat’ verstond hij zoals Marx in zijn genoemde verhandeling ‘de verovering der democratie’. Toen in 1891 Friedrich Engels een voorwoord schreef bij Marx' vertoog schreef hij: ‘In werkelijkheid is de staat niet anders dan een machine ter onderdrukking van de ene klasse door de andere, en wel in de democratische republiek niet minder dan in de monarchie. En in het beste geval een kwaad, dat het proletariaat,​ zegevierend in de strijd om de klassenheerschappij,​ overerft maar waarvan het evenmin als de Commune in gebreke kan blijven de scherpste hoeken aanstonds zo ver mogelijk af te kappen - totdat een geslacht, opgegroeid onder nieuwe, vrije maatschappelijke toestanden bij machte zal zijn, zich van de hele staatsrommel te ontdoen.’ En in zijn ‘De oorsprong van de familie, de eigendom en de staat’ schrijft Engels: ‘Wij naderen nu met rasse schreden een trap van ontwikkeling der productie, waarop het bestaan der klassen niet alleen heeft opgehouden een noodzakelijkheid te zijn, maar waarop het een besliste hindernis der productie wordt. Zij zullen vallen, even onvermijdelijk als zij vroeger zijn ontstaan. Met hen valt onvermijdelijk de staat. De maatschappij die de productie op de grondslag van vrije en gelijke associatie der producenten opnieuw organiseert zet de hele staatsmachine daar, waar zij zal horen: in het museum van oudheden, naast het spinnewiel en de bronzen bijl.’ En tenslotte: ‘In de plaats van de regering over personen treedt dan het beheer van zaken en de leiding over productieprocessen. De staat wordt niet afgeschaft, hij sterft af.’
-‘communes’. In Joegoslavië waren het marxisten, die sinds 1950 de zelfwerkzaamheid van de leden van een bedrijf wilden opwekken door hun een grote mate van medezeggenschap te verlenen. De theorieën van het anarchisme bieden op zichzelf weinig mogelijkheden om samen te werken met een regering, en wat dit aangaat gedroegen de Catalaanse syndicalisten zich weinig orthodox. Maar het marxisme houdt vele mogelijkheden in om een ‘afsterven van de staat’ te bepleiten. Weliswaar is deze tendens tegenstrijdig aan het overwegend staatlievende karakter van de denkbeelden van Marx. Maar deze heeft toch belangrijke concessies moeten doen aan de idealen van de Parijse Commune, die in 1871 zeer populair waren. In zijn '​Bürgerkrieg in Frankreich’ heeft hij menige buiging moeten maken in de richting van zijn grootste tegenstander,​ Bakoenin, toen hij betoogde dat hij in principe ‘het stukslaan van de staat’ aanvaardde. In 1917 heeft Lenin zijn ‘Staat en revolutie’ geschreven, waarin ook hij, zich bewust van de invloed van het anarchisme in Rusland, in uitzicht stelde dat in de verdere evolutie van het socialisme de staat zou ophouden te bestaan. Onder ‘dictatuur van het proletariaat’ verstond hij zoals Marx in zijn genoemde verhandeling ‘de verovering der democratie’. Toen in 1891 Friedrich Engels een voorwoord schreef bij Marx' vertoog schreef hij: ‘In werkelijkheid is de staat niet anders dan een machine ter onderdrukking van de ene klasse door de andere, en wel in de democratische republiek niet minder dan in de monarchie. En in het beste geval een kwaad, dat het proletariaat,​ zegevierend in de strijd om de klassenheerschappij,​ overerft maar waarvan het evenmin als de Commune in gebreke kan blijven de scherpste hoeken aanstonds zo ver mogelijk af te kappen - totdat een geslacht, opgegroeid onder nieuwe, vrije maatschappelijke toestanden bij machte zal zijn, zich van de hele staatsrommel te ontdoen.’ En in zijn ‘De oorsprong van de familie, de eigendom en de staat’ schrijft Engels: ‘Wij naderen nu met rasse schreden een trap van ontwikkeling der productie, waarop het bestaan der klassen niet alleen heeft opgehouden een noodzakelijkheid te zijn, maar waarop het een besliste hindernis der productie wordt. Zij zullen vallen, even onvermijdelijk als zij vroeger zijn ontstaan. Met hen valt onvermijdelijk de staat. De maatschappij die de productie op de grondslag van vrije en gelijke associatie der producenten opnieuw organiseert zet de hele staatsmachine daar, waar zij zal horen: in het museum van oudheden, naast het spinnewiel en de bronzen bijl.’ En tenslotte: ‘In de plaats van de regering over personen treedt dan het beheer van zaken en de leiding over productieprocessen. De staat wordt niet afgeschaft, hij sterft af.’+
  
 Degenen, die nu in verzet tegen de dictatuur van staat en partij aandringen op federalisatie,​ decentralisatie,​ autonomie van samenstellende deelgemeenschappen en op een beheer ‘van onder op’ beroepen zich ook veelvuldig op Rosa Luxemburg, toen zij in haar ‘Russische Revolution’ van 1918 protest aantekende tegen de almacht der bolsjewistische partijleiding. Zij schreef: ‘Verre daarvan een som te zijn van klaargemaakte recepten, welke men slechts heeft toe te passen, is de praktische verwerkelijking van het socialisme als economisch, sociaal en juridisch systeem iets, dat volledig gehuld is in de nevelen der toekomst. Wat wij in ons programma bezitten zijn slechs enkele wegwijzers, die de richting tonen waarin maatregelen moeten worden gezocht, en bovendien zijn zij overwegend van negatieve aard. Wij weten zo ongeveer wat wij ter zijde moeten stellen om de baan vrij te maken voor het socialisme. Dit zelf kan slechts een product zijn der evolutie. Het socialisme laat zich niet bij oekase invoeren. Het heeft een reeks machtsmaatregelen tot voorwaarde. Het negatieve kan men decreteren, het positieve echter niet. De opbouw is onbekend gebied, met duizend problemen. Slechts ervaring is in staat te verbeteren en nieuwe wegen in te slaan. Slechts onbelemmerd schuimend leven vult duizend nieuwe vormen, improvisaties,​ heeft scheppende kracht, corrigeert alle fouten.’ En in dit verband schreef zij ook: ‘Vrijheid voor de aanhangers der regering, slechts voor de leden der partij, al zijn zij nog zo talrijk, is geen vrijheid. Vrijheid betekent immer: vrijheid voor andersdenkenden. Niet vanwege het fanatisme der gerechtigheid,​ maar omdat alle onderrichtende,​ heilzame en reinigende kracht der politieke vrijheid daarvan afhankelijk is. Haar uitwerking mist zij, als men de vrijheid tot een privilege maakt.’ Degenen, die nu in verzet tegen de dictatuur van staat en partij aandringen op federalisatie,​ decentralisatie,​ autonomie van samenstellende deelgemeenschappen en op een beheer ‘van onder op’ beroepen zich ook veelvuldig op Rosa Luxemburg, toen zij in haar ‘Russische Revolution’ van 1918 protest aantekende tegen de almacht der bolsjewistische partijleiding. Zij schreef: ‘Verre daarvan een som te zijn van klaargemaakte recepten, welke men slechts heeft toe te passen, is de praktische verwerkelijking van het socialisme als economisch, sociaal en juridisch systeem iets, dat volledig gehuld is in de nevelen der toekomst. Wat wij in ons programma bezitten zijn slechs enkele wegwijzers, die de richting tonen waarin maatregelen moeten worden gezocht, en bovendien zijn zij overwegend van negatieve aard. Wij weten zo ongeveer wat wij ter zijde moeten stellen om de baan vrij te maken voor het socialisme. Dit zelf kan slechts een product zijn der evolutie. Het socialisme laat zich niet bij oekase invoeren. Het heeft een reeks machtsmaatregelen tot voorwaarde. Het negatieve kan men decreteren, het positieve echter niet. De opbouw is onbekend gebied, met duizend problemen. Slechts ervaring is in staat te verbeteren en nieuwe wegen in te slaan. Slechts onbelemmerd schuimend leven vult duizend nieuwe vormen, improvisaties,​ heeft scheppende kracht, corrigeert alle fouten.’ En in dit verband schreef zij ook: ‘Vrijheid voor de aanhangers der regering, slechts voor de leden der partij, al zijn zij nog zo talrijk, is geen vrijheid. Vrijheid betekent immer: vrijheid voor andersdenkenden. Niet vanwege het fanatisme der gerechtigheid,​ maar omdat alle onderrichtende,​ heilzame en reinigende kracht der politieke vrijheid daarvan afhankelijk is. Haar uitwerking mist zij, als men de vrijheid tot een privilege maakt.’
Regel 73: Regel 72:
  
 Een der oudste elementen van een cultuur is het diepe verlangen van een mens, zich te bevrijden van de dwang en het gezag, voor zover dit vreemd is aan zijn eigen wezen. Aangezien elk patroon der beschaving leidt tot onderdrukking van driften, begeerten en instincten, maar tevens tot beperking van iemands individuele mogelijkheden - wat overigens ook de krachten der natuur doen! - is de opstandigheid een onvermijdelijk gevolg van het leven in een gedwongen gemeenschap. Geen woord is dan ook zo geliefd als dat der vrijheid, hoewel het op zichzelf negatief van aard is: het drukt allereerst uit, wat de mens níet wil. Hetzelfde kan men zeggen van de term anarchie: gezagsloosheid. In haar uiterste consequentie zou dit ideaal nauwelijks verenigbaar zijn met de vorming van een maatschappij. Vandaar dat bij een nadere positieve omschrijving van het nagestreefde doel de zin ervan wordt verzwakt tot die van een vrijwillig samenleven, en met name van een staatloze maatschappij. Een der oudste elementen van een cultuur is het diepe verlangen van een mens, zich te bevrijden van de dwang en het gezag, voor zover dit vreemd is aan zijn eigen wezen. Aangezien elk patroon der beschaving leidt tot onderdrukking van driften, begeerten en instincten, maar tevens tot beperking van iemands individuele mogelijkheden - wat overigens ook de krachten der natuur doen! - is de opstandigheid een onvermijdelijk gevolg van het leven in een gedwongen gemeenschap. Geen woord is dan ook zo geliefd als dat der vrijheid, hoewel het op zichzelf negatief van aard is: het drukt allereerst uit, wat de mens níet wil. Hetzelfde kan men zeggen van de term anarchie: gezagsloosheid. In haar uiterste consequentie zou dit ideaal nauwelijks verenigbaar zijn met de vorming van een maatschappij. Vandaar dat bij een nadere positieve omschrijving van het nagestreefde doel de zin ervan wordt verzwakt tot die van een vrijwillig samenleven, en met name van een staatloze maatschappij.
-Het is geen wonder dat aanvankelijk de neiging bestond, een ongewenst gezag te ontkennen uit hoofde van religieuze argumenten. Voordat de ervarings-wetenschap, de wijsbegeerte en de ethiek zich onafhankelijk konden ontwikkelen,​ was de religie dit alles ineen. Zij was symbool en mythe om uit te drukken, in verbeeldingen,​ hoe de mens zich de wereld voorstelt. In de chaotische droomwereld van goden en duivelen is hij echter niet alleen een angstig of hoopvol toeschouwer,​ is hij niet alleen schepsel, onderworpen aan 't lot, maar ook schepper van verhoudingen,​ waarin hij zich kan handhaven. In tegenstelling tot de dieren is hij als ‘homo faber’ bij machte in te grijpen in de wereld, waarin hij leeft. Zelfs in de wereld der goden, die hij kan verbidden, met wie hij zich kan verzoenen, als zij hem bezocht hebben.+Het is geen wonder dat aanvankelijk de neiging bestond, een ongewenst gezag te ontkennen uit hoofde van religieuze argumenten. Voordat de ervaringswetenschap, de wijsbegeerte en de ethiek zich onafhankelijk konden ontwikkelen,​ was de religie dit alles ineen. Zij was symbool en mythe om uit te drukken, in verbeeldingen,​ hoe de mens zich de wereld voorstelt. In de chaotische droomwereld van goden en duivelen is hij echter niet alleen een angstig of hoopvol toeschouwer,​ is hij niet alleen schepsel, onderworpen aan 't lot, maar ook schepper van verhoudingen,​ waarin hij zich kan handhaven. In tegenstelling tot de dieren is hij als ‘homo faber’ bij machte in te grijpen in de wereld, waarin hij leeft. Zelfs in de wereld der goden, die hij kan verbidden, met wie hij zich kan verzoenen, als zij hem bezocht hebben.
    
 Wanneer echter de weerstand der omgeving te sterk is rijst de vraag, hoe men zich daaraan kan onttrekken. Het eerste ‘ontmythologiseerde’ antwoord op die vraag is de poging, zich in de geest aan de ongewenste dwang te onttrekken door de weigering er nog langer aan te lijden. In de Chinese cultuur treft men in de vijfde eeuw voor onze jaartelling reeds de tegenstelling aan tussen de strenge, gebiedende moraal van Kon Foe-tse (Confucius) en de aanbeveling van [[Lao-tse]] niet te doen, wat priesters, vorsten en machtige heren eisen. De passiviteit als vorm van protest brengt volgens Lao-tse de mens nader tot een oorspronkelijke harmonie, die door heerszucht en machtswellust verbroken is. Het geloof aan een ‘natuurlijke’ orde heeft het paradijsverhaal,​ de herdersromans en de ideeën van Rousseau beïnvloed. In het latere anarchisme is het verlangen naar de terugkeer tot deze utopie steeds aanwezig, zoals in het werk van de gebroeders Reclus. Ook Lao-tse sprak reeds van herstel van verscheurd evenwicht, en wel door het ‘niet-doen’. Hij zocht de levenswijze,​ het pad der deugd (Tao) dat kon voeren tot bevrijding uit de onlustgevoelens der civilisatie. Dit ideaal vereist het afzien van streven naar macht en rijkdom. ‘Als vorsten en koningen Tao konden handhaven zouden de tienduizenden wezens zich schikken van zelf. Hemel en aarde zouden zich verenigen, een zoete dauw doen nederdalen, en zonder bevel, van zelf, zou het volk weer in harmonie geraken.’ En hij verzuchtte: Wanneer echter de weerstand der omgeving te sterk is rijst de vraag, hoe men zich daaraan kan onttrekken. Het eerste ‘ontmythologiseerde’ antwoord op die vraag is de poging, zich in de geest aan de ongewenste dwang te onttrekken door de weigering er nog langer aan te lijden. In de Chinese cultuur treft men in de vijfde eeuw voor onze jaartelling reeds de tegenstelling aan tussen de strenge, gebiedende moraal van Kon Foe-tse (Confucius) en de aanbeveling van [[Lao-tse]] niet te doen, wat priesters, vorsten en machtige heren eisen. De passiviteit als vorm van protest brengt volgens Lao-tse de mens nader tot een oorspronkelijke harmonie, die door heerszucht en machtswellust verbroken is. Het geloof aan een ‘natuurlijke’ orde heeft het paradijsverhaal,​ de herdersromans en de ideeën van Rousseau beïnvloed. In het latere anarchisme is het verlangen naar de terugkeer tot deze utopie steeds aanwezig, zoals in het werk van de gebroeders Reclus. Ook Lao-tse sprak reeds van herstel van verscheurd evenwicht, en wel door het ‘niet-doen’. Hij zocht de levenswijze,​ het pad der deugd (Tao) dat kon voeren tot bevrijding uit de onlustgevoelens der civilisatie. Dit ideaal vereist het afzien van streven naar macht en rijkdom. ‘Als vorsten en koningen Tao konden handhaven zouden de tienduizenden wezens zich schikken van zelf. Hemel en aarde zouden zich verenigen, een zoete dauw doen nederdalen, en zonder bevel, van zelf, zou het volk weer in harmonie geraken.’ En hij verzuchtte:
Regel 84: Regel 83:
  
 Nochtans predikt Stirner ‘de vereniging der egoïsten’. Dezen geven dan een deel van hun vrijheid prijs, maar vermeerderen hun macht en aldus hetgeen hun eigen is. Elke vereniging behoort evenwel te geschieden voor een bepaald, tijdelijk doel. Tegen de staat verzet hij zich resoluut. ‘Maak uw arbeid vrij, dan is de staat verloren.’ Hij wekt de landarbeiders op hun werk niet meer te verkopen, tenzij de landheer hun zoveel biedt dat zij de volledige opbrengst ontvangen van hun arbeidskracht. Hoewel Stirner geen ethiek erkent geeft hij toe, dat de mens gelukkiger kan worden door een vorm van gemeenschap,​ maar dan van gelijken en vrijen. Nochtans predikt Stirner ‘de vereniging der egoïsten’. Dezen geven dan een deel van hun vrijheid prijs, maar vermeerderen hun macht en aldus hetgeen hun eigen is. Elke vereniging behoort evenwel te geschieden voor een bepaald, tijdelijk doel. Tegen de staat verzet hij zich resoluut. ‘Maak uw arbeid vrij, dan is de staat verloren.’ Hij wekt de landarbeiders op hun werk niet meer te verkopen, tenzij de landheer hun zoveel biedt dat zij de volledige opbrengst ontvangen van hun arbeidskracht. Hoewel Stirner geen ethiek erkent geeft hij toe, dat de mens gelukkiger kan worden door een vorm van gemeenschap,​ maar dan van gelijken en vrijen.
 +
 Nu zou Stirner nog niet gerekend behoeven te worden tot de anarchisten omdat hij een individualist is. Vergelijkt men hem met ethisch gebonden leden ener gemeenschap dan ware het denkbaar, dat hij zich zou gedragen als een vijand der zwakken. Daarvoor echter is zijn zin voor gelijkwaardigheid en zijn afkeer van oligarchie en aristocratie te groot: in tegenstelling tot Friedrich Nietzsche is hij een proletarisch individualist. Hij roept het ‘plebs’ op egoïstisch te zijn, zich niet te laten misbruiken door heersende kasten, en predikt desnoods gewelddadige sociale omwenteling. Niettemin is het onmogelijk een gemeenschap te vormen op grondslag van het individualisme. Hij is begaan met het lot der verworpenen in de wereld al schrijft hij alsof hij alleen voor zichzelf zou leven. ‘Er is voor mij niet één waarheid, noch het recht, noch de vrijheid of de menselijkheid,​ die voor mij duurzaam zijn en waaraan ik mij zou onderwerpen ... Al bestond er slechts één waarheid waaraan de mens zijn leven en krachten zou moeten wijden omdat hij mens is, dan zou hij aan een regel, een heerschappij,​ een wet onderworpen zijn, hij zou dienstbaar wezen ... Zolang gij aan de waarheid gelooft, gelooft ge niet aan u zelf en zijt ge een dienaar, of een god-dienend mens. Gij alleen zijt echter de waarheid of veel meer. Gij zijt zo veel meer dan de waarheid, dat zij voor u in het geheel niets is.’ Als Christus van zich zelf kon getuigen dat hij de Waarheid was, waarom zou niet ieder van ons dat recht nemen, zijn eigen waarheid zijn en - als schepper daarvan - nog veel meer? Nu zou Stirner nog niet gerekend behoeven te worden tot de anarchisten omdat hij een individualist is. Vergelijkt men hem met ethisch gebonden leden ener gemeenschap dan ware het denkbaar, dat hij zich zou gedragen als een vijand der zwakken. Daarvoor echter is zijn zin voor gelijkwaardigheid en zijn afkeer van oligarchie en aristocratie te groot: in tegenstelling tot Friedrich Nietzsche is hij een proletarisch individualist. Hij roept het ‘plebs’ op egoïstisch te zijn, zich niet te laten misbruiken door heersende kasten, en predikt desnoods gewelddadige sociale omwenteling. Niettemin is het onmogelijk een gemeenschap te vormen op grondslag van het individualisme. Hij is begaan met het lot der verworpenen in de wereld al schrijft hij alsof hij alleen voor zichzelf zou leven. ‘Er is voor mij niet één waarheid, noch het recht, noch de vrijheid of de menselijkheid,​ die voor mij duurzaam zijn en waaraan ik mij zou onderwerpen ... Al bestond er slechts één waarheid waaraan de mens zijn leven en krachten zou moeten wijden omdat hij mens is, dan zou hij aan een regel, een heerschappij,​ een wet onderworpen zijn, hij zou dienstbaar wezen ... Zolang gij aan de waarheid gelooft, gelooft ge niet aan u zelf en zijt ge een dienaar, of een god-dienend mens. Gij alleen zijt echter de waarheid of veel meer. Gij zijt zo veel meer dan de waarheid, dat zij voor u in het geheel niets is.’ Als Christus van zich zelf kon getuigen dat hij de Waarheid was, waarom zou niet ieder van ons dat recht nemen, zijn eigen waarheid zijn en - als schepper daarvan - nog veel meer?
  
Regel 131: Regel 131:
 Maar de massa'​s wisten niet, wat aan te vangen met de macht. En hoe proletarisch en socialistisch het verzet ook was, de leiders die naar voren kwamen voerden een politiek, die voor de revolutie noodlottig was: zij schreven algemene verkiezingen uit. Parijs was niet Frankrijk. Vooral in de provincie - in mindere mate zelfs in de hoofdstad - herstelde de reactie zich op legale wijze. Het spook van het socialisme - door Marx in het Communistisch Manifest voorgesteld als een machtige geest - waarde rond, maar verenigde allen, die meenden iets van het socialisme te vrezen te hebben: de kleine bezitters, winkeliers en ambachtslieden,​ de beoefenaren van vrije beroepen, de fabrikanten en grondbezitters,​ de handelaren en de hoogste standen. De Tocqueville merkte op dat agrarische arbeiders en pachters, afhankelijk van landeigenaren in de provincie, hun meester kozen uit vrees anders brodeloos te worden gemaakt. En de graaf schreef over de boeren: ‘In Frankrijk bezitten de landbouwers allen een deel van de grond, maar de meesten hebben daarop hypotheek genomen; men had dus niet de landeigenaren moeten bedreigen, maar hun geldschieters moeten aantasten; niet de afschaffing moeten beloven van het eigendomsrecht,​ maar de vernietiging der schulden.’ De wanhoop der bourgeoisie veranderde weldra in moed en de ‘jacobijnen’ splitsten zich in socialisten en burgers. De verkiezing was voor de omwenteling funest. De Tocqueville schreef: ‘De constituerende vergadering bevatte meer grootgrondbezitters en zelfs adellijke personen dan nog in enige kamer zitting hadden gehad ... En men trof er leden van een godsdienstige partij in aan, veel talrijker en zelfs machtiger dan onder de Restauratie.’ (Dus na de val van Napoleon.) Toen ‘de massa’ bemerkte, wie er in het parlement bezig waren haar revolutie te verraden, was het te laat. Haar tweede aanval op het gezag werd in bloed gesmoord. Maar de massa'​s wisten niet, wat aan te vangen met de macht. En hoe proletarisch en socialistisch het verzet ook was, de leiders die naar voren kwamen voerden een politiek, die voor de revolutie noodlottig was: zij schreven algemene verkiezingen uit. Parijs was niet Frankrijk. Vooral in de provincie - in mindere mate zelfs in de hoofdstad - herstelde de reactie zich op legale wijze. Het spook van het socialisme - door Marx in het Communistisch Manifest voorgesteld als een machtige geest - waarde rond, maar verenigde allen, die meenden iets van het socialisme te vrezen te hebben: de kleine bezitters, winkeliers en ambachtslieden,​ de beoefenaren van vrije beroepen, de fabrikanten en grondbezitters,​ de handelaren en de hoogste standen. De Tocqueville merkte op dat agrarische arbeiders en pachters, afhankelijk van landeigenaren in de provincie, hun meester kozen uit vrees anders brodeloos te worden gemaakt. En de graaf schreef over de boeren: ‘In Frankrijk bezitten de landbouwers allen een deel van de grond, maar de meesten hebben daarop hypotheek genomen; men had dus niet de landeigenaren moeten bedreigen, maar hun geldschieters moeten aantasten; niet de afschaffing moeten beloven van het eigendomsrecht,​ maar de vernietiging der schulden.’ De wanhoop der bourgeoisie veranderde weldra in moed en de ‘jacobijnen’ splitsten zich in socialisten en burgers. De verkiezing was voor de omwenteling funest. De Tocqueville schreef: ‘De constituerende vergadering bevatte meer grootgrondbezitters en zelfs adellijke personen dan nog in enige kamer zitting hadden gehad ... En men trof er leden van een godsdienstige partij in aan, veel talrijker en zelfs machtiger dan onder de Restauratie.’ (Dus na de val van Napoleon.) Toen ‘de massa’ bemerkte, wie er in het parlement bezig waren haar revolutie te verraden, was het te laat. Haar tweede aanval op het gezag werd in bloed gesmoord.
  
-Op 24 februari was de koning afgetreden. De twee meest invloedrijke radicale bladen: ‘Le National’ van Marrast en ‘La Réforme’ van Flocon propageerden de vorming van een voorlopig bewind, dat inderdaad op hun aanwijzing tot stand kwam. De bekendste leden daarvan waren de dichter Lamartine, Marrast en Flocon, +Op 24 februari was de koning afgetreden. De twee meest invloedrijke radicale bladen: ‘Le National’ van Marrast en ‘La Réforme’ van Flocon propageerden de vorming van een voorlopig bewind, dat inderdaad op hun aanwijzing tot stand kwam. De bekendste leden daarvan waren de dichter Lamartine, Marrast en Flocon, Ledru-Rollin,​ de socialistische theoreticus Louis Blanc en ‘de arbeider Albert’. Onder de elf leden was de onenigheid groot. Maar de gewapende arbeiders bereikten dat reeds op 26 februari een decreet werd gepubliceerd dat voldoening moest geven aan de tienduizenden werklozen, die slachtoffers waren geworden van de economische crisis, die de ontevredenheid had aangewakkerd. ‘Het voorlopig bewind verbindt zich het levensonderhoud van de arbeider te waarborgen door de arbeid. Het verplicht zich werk te garanderen aan alle werkers. Het erkent dat de arbeiders zich onder elkaar moeten verenigen om het volle genot te hebben van hun inspanning.’ Deze formule had door Proudhon geschreven kunnen zijn: de gemeenschap verschaft de productiemiddelen,​ die de geassociëerde arbeiders benutten om het product van hun arbeid te kunnen verbruiken.
-Ledru-Rollin,​ de socialistische theoreticus Louis Blanc en ‘de arbeider Albert’. Onder de elf leden was de onenigheid groot. Maar de gewapende arbeiders bereikten dat reeds op 26 februari een decreet werd gepubliceerd dat voldoening moest geven aan de tienduizenden werklozen, die slachtoffers waren geworden van de economische crisis, die de ontevredenheid had aangewakkerd. ‘Het voorlopig bewind verbindt zich het levensonderhoud van de arbeider te waarborgen door de arbeid. Het verplicht zich werk te garanderen aan alle werkers. Het erkent dat de arbeiders zich onder elkaar moeten verenigen om het volle genot te hebben van hun inspanning.’ Deze formule had door Proudhon geschreven kunnen zijn: de gemeenschap verschaft de productiemiddelen,​ die de geassociëerde arbeiders benutten om het product van hun arbeid te kunnen verbruiken.+
  
 Louis Blanc eiste de vorming van een ministerie van arbeid, om dit doel te verwezenlijken. Lamartine, een burgerlijke democraat met meeslepende frases, verzette zich. En Louis Blanc liet zich overhalen, de leiding op zich te nemen van een ‘regeringscommissie voor de arbeiders’. Hij moest, met weinig middelen en nog minder macht, proberen de proletariërs tevreden te stellen. Het enige wat men bereikte was (behalve instelling van een tien-urige arbeidsdag) de oprichting van ‘ateliers nationaux’ om de werkverschaffing te organiseren,​ hoewel er geen geld was voor grote openbare werken. Op 17 maart demonstreerden honderdduizend arbeiders om Louis Blanc te bewegen met het voorlopig bewind te breken, en vooral Proudhon ondersteunde deze actie. Maar Blanc deinsde terug voor ‘een revolutie in de revolutie’. De grote meerderheid van het voorlopig bewind wist de Nationale Garde (geboren uit de omwenteling van 1830, en aanvankelijk gewonnen voor drastische hervormingen) te bewegen haar te steunen, omdat de werkers door communisten opgehitst zouden worden. Op 16 april demonstreerden de arbeiders vóór de vorming van vrije associaties,​ die de productiemiddelen zelfstandig moesten exploiteren. Maar toen had de Nationale Garde der gewapende burgers zich al tegen de revolutie gekeerd. Zij liet steeds luider de kreet horen: ‘A bas les communistes!’ Louis Blanc stelde nog een programma op voor een vorm van staatssocialisme,​ met als ideaal ‘voortbrengen naar ieders krachten, verbruiken naar ieders behoeften’. Maar de nationale vergadering,​ die op 4 mei bijeenkwam, was reactionair. Op 15 mei bestormde een grote menigte, die demonstreerde voor solidariteit met de opstandige Polen (toen symbolen van een radicale, vrijheidlievende democratie) het parlementsgebouw en drong in de vertegenwoordigende vergadering binnen. Het aantal werklozen der nationale ateliers was gestegen tot 110.000, en zij waren de voornaamste bron van onrust. De voorlopige regering besloot nu die werkplaatsen op te heffen en de werklozen te dwingen zich te verspreiden over de provinciesteden,​ als bedelaars. Toen brak de tweede opstand uit, die van 23 juni. Hij werd bloedig onderdrukt, terwijl generaal Cavaignac dictator werd. Louis Blanc vluchtte naar Londen. De verdere ontwikkeling maakte tot 1871 een einde aan manifestaties van het Franse socialisme. Louis Bonaparte, een neef van de keizer, werd eerst president en vervolgens de tweede keizer van het negentiende-eeuwse Frankrijk. Louis Blanc eiste de vorming van een ministerie van arbeid, om dit doel te verwezenlijken. Lamartine, een burgerlijke democraat met meeslepende frases, verzette zich. En Louis Blanc liet zich overhalen, de leiding op zich te nemen van een ‘regeringscommissie voor de arbeiders’. Hij moest, met weinig middelen en nog minder macht, proberen de proletariërs tevreden te stellen. Het enige wat men bereikte was (behalve instelling van een tien-urige arbeidsdag) de oprichting van ‘ateliers nationaux’ om de werkverschaffing te organiseren,​ hoewel er geen geld was voor grote openbare werken. Op 17 maart demonstreerden honderdduizend arbeiders om Louis Blanc te bewegen met het voorlopig bewind te breken, en vooral Proudhon ondersteunde deze actie. Maar Blanc deinsde terug voor ‘een revolutie in de revolutie’. De grote meerderheid van het voorlopig bewind wist de Nationale Garde (geboren uit de omwenteling van 1830, en aanvankelijk gewonnen voor drastische hervormingen) te bewegen haar te steunen, omdat de werkers door communisten opgehitst zouden worden. Op 16 april demonstreerden de arbeiders vóór de vorming van vrije associaties,​ die de productiemiddelen zelfstandig moesten exploiteren. Maar toen had de Nationale Garde der gewapende burgers zich al tegen de revolutie gekeerd. Zij liet steeds luider de kreet horen: ‘A bas les communistes!’ Louis Blanc stelde nog een programma op voor een vorm van staatssocialisme,​ met als ideaal ‘voortbrengen naar ieders krachten, verbruiken naar ieders behoeften’. Maar de nationale vergadering,​ die op 4 mei bijeenkwam, was reactionair. Op 15 mei bestormde een grote menigte, die demonstreerde voor solidariteit met de opstandige Polen (toen symbolen van een radicale, vrijheidlievende democratie) het parlementsgebouw en drong in de vertegenwoordigende vergadering binnen. Het aantal werklozen der nationale ateliers was gestegen tot 110.000, en zij waren de voornaamste bron van onrust. De voorlopige regering besloot nu die werkplaatsen op te heffen en de werklozen te dwingen zich te verspreiden over de provinciesteden,​ als bedelaars. Toen brak de tweede opstand uit, die van 23 juni. Hij werd bloedig onderdrukt, terwijl generaal Cavaignac dictator werd. Louis Blanc vluchtte naar Londen. De verdere ontwikkeling maakte tot 1871 een einde aan manifestaties van het Franse socialisme. Louis Bonaparte, een neef van de keizer, werd eerst president en vervolgens de tweede keizer van het negentiende-eeuwse Frankrijk.
Regel 151: Regel 150:
 De revoluties van 1848 waren niet alleen voortgekomen uit de drang naar sociale omwentelingen,​ maar in vele gevallen ook ontstaan om de bevrijding van verdrukte nationale minderheden te verwezenlijken. We zagen reeds dat sympathie met de opstandige Polen als een socialistische democratische deugd gold. Het gezag der monarchen, die in 1815 de Restauratie in Europa hadden doorgevoerd,​ werd aangetast. De Polen, verdeeld over drie staten, ageerden tegen de vorsten van Rusland, Oostenrijk en Pruisen. Republikeinen in Duitsland en Italië streden tegen de verbrokkeling van hun landen in tal van vorstendommen,​ om in een democratische federatie de nationale eenheid te verwerkelijken. De Slavische volkeren van Oostenrijk-Hongarije kwamen in verzet tegen Wenen en Boedapest. Er was echter geen sprake van een eenheidsfront tegen de dynastieën,​ want de nationale minderheden hadden uiteenlopende belangen. Toen de Hongaren het juk der Habsburgers wilden afschudden, konden zij niet rekenen op de sympathie van Slavische groeperingen die door hen onderdrukt waren. Hoewel de socialisten internationalistische idealen hadden streden zij daarvoor toch binnen een nationaal verband, en reeds toen was patriottisme vaak moeilijk los te maken van hun opvattingen. De revoluties van 1848 waren niet alleen voortgekomen uit de drang naar sociale omwentelingen,​ maar in vele gevallen ook ontstaan om de bevrijding van verdrukte nationale minderheden te verwezenlijken. We zagen reeds dat sympathie met de opstandige Polen als een socialistische democratische deugd gold. Het gezag der monarchen, die in 1815 de Restauratie in Europa hadden doorgevoerd,​ werd aangetast. De Polen, verdeeld over drie staten, ageerden tegen de vorsten van Rusland, Oostenrijk en Pruisen. Republikeinen in Duitsland en Italië streden tegen de verbrokkeling van hun landen in tal van vorstendommen,​ om in een democratische federatie de nationale eenheid te verwerkelijken. De Slavische volkeren van Oostenrijk-Hongarije kwamen in verzet tegen Wenen en Boedapest. Er was echter geen sprake van een eenheidsfront tegen de dynastieën,​ want de nationale minderheden hadden uiteenlopende belangen. Toen de Hongaren het juk der Habsburgers wilden afschudden, konden zij niet rekenen op de sympathie van Slavische groeperingen die door hen onderdrukt waren. Hoewel de socialisten internationalistische idealen hadden streden zij daarvoor toch binnen een nationaal verband, en reeds toen was patriottisme vaak moeilijk los te maken van hun opvattingen.
  
-Michael Bakoenin was afkomstig uit een adellijke familie van Russische grootgrondbezitters. Hij had in 1835, toen 21 jaar oud, de militaire dienst verlaten en zijn studiën voortgezet in Berlijn, waar hij behoorde tot de kring der Jonghegelianen. De toepassing van de dialectische filosofie (gebaseerd op een evolutie door tegenstellingen) leidde tot de opvatting dat oude gedachten, machten en instellingen genegeerd, opgeheven behoorden te worden om plaats te maken voor nieuwe. In 1842 had hij een artikel gepubliceerd waarin hij had geschreven: ‘Laat ons vertrouwen op de eeuwige geest die slechts vernietigt en verdelgt omdat hij de ondoorgrondelijke immer scheppende bron des levens is. De drift der vernietiging is een scheppende drift.’ In Dresden had hij kennis gemaakt met de socialist Ruge, en diens invloed was merkbaar in het genoemde artikel, dat trouwens verschenen was in de ‘Deutsche Jahrbücher’ van Ruge. ‘Het volk - aldus Bakoenin - de arme +Michael Bakoenin was afkomstig uit een adellijke familie van Russische grootgrondbezitters. Hij had in 1835, toen 21 jaar oud, de militaire dienst verlaten en zijn studiën voortgezet in Berlijn, waar hij behoorde tot de kring der Jonghegelianen. De toepassing van de dialectische filosofie (gebaseerd op een evolutie door tegenstellingen) leidde tot de opvatting dat oude gedachten, machten en instellingen genegeerd, opgeheven behoorden te worden om plaats te maken voor nieuwe. In 1842 had hij een artikel gepubliceerd waarin hij had geschreven: ‘Laat ons vertrouwen op de eeuwige geest die slechts vernietigt en verdelgt omdat hij de ondoorgrondelijke immer scheppende bron des levens is. De drift der vernietiging is een scheppende drift.’ In Dresden had hij kennis gemaakt met de socialist Ruge, en diens invloed was merkbaar in het genoemde artikel, dat trouwens verschenen was in de ‘Deutsche Jahrbücher’ van Ruge. ‘Het volk - aldus Bakoenin - de arme klasse, die ongetwijfeld de meerderheid der mensen omvat, de klasse welker rechten men theoretisch erkend heeft maar die tot heden door geboorte, omstandigheden,​ bezitloosheid en onwetendheid tot praktische slavernij veroordeeld is en die het eigenlijke volk vormt, neemt overal een dreigende houding aan en begint haar rechten op te eisen.’
-klasse, die ongetwijfeld de meerderheid der mensen omvat, de klasse welker rechten men theoretisch erkend heeft maar die tot heden door geboorte, omstandigheden,​ bezitloosheid en onwetendheid tot praktische slavernij veroordeeld is en die het eigenlijke volk vormt, neemt overal een dreigende houding aan en begint haar rechten op te eisen.’+
  
 Aangezien de tsaristische regering in Bakoenin een samenzweerder zag verzocht zij alle bevriende staten, hem uit te zetten, in de hoop dat hij gedwongen zou worden, naar Rusland terug te keren. In december 1844 zou de tsaar zijn vonnis tekenen: hij werd veroordeeld tot het verlies van zijn adellijke titels en tot levenslange verbanning naar Siberië. Via Zwitserland was Michael intussen naar Brussel en Parijs gekomen. Op 23 maart 1844 vond in de Franse hoofdstad een ontmoeting plaats van politieke propagandisten uit verscheidene landen. Daar waren Karl Marx en Arnold Ruge, Michael Bakoenin en Grigori Tolstoi, Louis Blanc en Pierre Leroux. Van juli 1844 af verbleef Bakoenin drie en een half jaar in Parijs. Hij leerde alle radicale democraten en socialisten kennen, waardeerde Marx om diens grote kennis, maar bewonderde noch zijn karakter noch zijn politieke doeleinden. In januari 1845 werd de Duitse theoreticus,​ die van zijn kant geen hoge dunk had van Proudhon of Bakoenin, uit Frankrijk gezet, waarna hij verscheidene jaren in Brussel verbleef. De meeste geestverwantschap ontdekte Bakoenin tussen hem en Proudhon. Meer dan dit: de Franse socialist leidde de Russische rebel in zijn anarchistische denkwereld in, en Michael zou hem steeds herkennen als zijn leermeester. Aangezien de tsaristische regering in Bakoenin een samenzweerder zag verzocht zij alle bevriende staten, hem uit te zetten, in de hoop dat hij gedwongen zou worden, naar Rusland terug te keren. In december 1844 zou de tsaar zijn vonnis tekenen: hij werd veroordeeld tot het verlies van zijn adellijke titels en tot levenslange verbanning naar Siberië. Via Zwitserland was Michael intussen naar Brussel en Parijs gekomen. Op 23 maart 1844 vond in de Franse hoofdstad een ontmoeting plaats van politieke propagandisten uit verscheidene landen. Daar waren Karl Marx en Arnold Ruge, Michael Bakoenin en Grigori Tolstoi, Louis Blanc en Pierre Leroux. Van juli 1844 af verbleef Bakoenin drie en een half jaar in Parijs. Hij leerde alle radicale democraten en socialisten kennen, waardeerde Marx om diens grote kennis, maar bewonderde noch zijn karakter noch zijn politieke doeleinden. In januari 1845 werd de Duitse theoreticus,​ die van zijn kant geen hoge dunk had van Proudhon of Bakoenin, uit Frankrijk gezet, waarna hij verscheidene jaren in Brussel verbleef. De meeste geestverwantschap ontdekte Bakoenin tussen hem en Proudhon. Meer dan dit: de Franse socialist leidde de Russische rebel in zijn anarchistische denkwereld in, en Michael zou hem steeds herkennen als zijn leermeester.
Regel 199: Regel 197:
  
 Aangezien de verbetering der economische conjunctuur wel werkgelegenheid maar nog weinig voordeel had opgeleverd voor de arbeiders, en de grote investeringen het verbruik en de lonen zwaar drukten, werd er steeds meer aangedrongen op internationale solidariteit in de sociale strijd. Als leidraad voor zulk een samenwerking was een ‘inaugureel adres’ aanvaard, dat door Marx was opgesteld. Deze hielp ook de statuten te ontwerpen. Aangezien de verbetering der economische conjunctuur wel werkgelegenheid maar nog weinig voordeel had opgeleverd voor de arbeiders, en de grote investeringen het verbruik en de lonen zwaar drukten, werd er steeds meer aangedrongen op internationale solidariteit in de sociale strijd. Als leidraad voor zulk een samenwerking was een ‘inaugureel adres’ aanvaard, dat door Marx was opgesteld. Deze hielp ook de statuten te ontwerpen.
 +
 De Internationale omvatte de meest uiteenlopende richtingen, maar aan de linkerzijde bleek het duidelijkst de tegenstelling tussen de staatlievende aanhangers van Marx en Engels en de anarchistische vrienden van Proudhon. Als beginsel werd aanvaard dat de bodem en de transportmiddelen gesocialiseerd moesten worden en dat de machines in het bezit der arbeiders moesten komen. Ook besloot men het proletariaat op te wekken oorlog te verhinderen door middel van een algemene werkstaking. Dit laatste vond Marx ‘Blödsinn.’ Pruisen was bezig zich te ontwikkelen tot een grote mogendheid, die in staat was Oostenrijk en Frankrijk uit te dagen. Deze twee staten moesten inderdaad respectievelijk in 1866 en in 1870 de Pruisische superioriteit erkennen. Daarna gelukte het Bismarck de vele Duitse vorstendommen onder Pruisische leiding te verenigen in één rijk. De Internationale omvatte de meest uiteenlopende richtingen, maar aan de linkerzijde bleek het duidelijkst de tegenstelling tussen de staatlievende aanhangers van Marx en Engels en de anarchistische vrienden van Proudhon. Als beginsel werd aanvaard dat de bodem en de transportmiddelen gesocialiseerd moesten worden en dat de machines in het bezit der arbeiders moesten komen. Ook besloot men het proletariaat op te wekken oorlog te verhinderen door middel van een algemene werkstaking. Dit laatste vond Marx ‘Blödsinn.’ Pruisen was bezig zich te ontwikkelen tot een grote mogendheid, die in staat was Oostenrijk en Frankrijk uit te dagen. Deze twee staten moesten inderdaad respectievelijk in 1866 en in 1870 de Pruisische superioriteit erkennen. Daarna gelukte het Bismarck de vele Duitse vorstendommen onder Pruisische leiding te verenigen in één rijk.
 +
 Deze ontwikkeling nu werd door Marx toegejuicht. Later zouden de Franse socialisten spreken van zijn ‘pangermanisme’,​ waarvan de publicaties der Internationale duidelijk blijk gaven. Hij verdedigde de theorie dat Napoleon III een offensieve samenzwering beraamde tegen Bismarck, om te voorkomen dat deze de Duitse rijkseenheid zou verwezenlijken. Deze ontwikkeling nu werd door Marx toegejuicht. Later zouden de Franse socialisten spreken van zijn ‘pangermanisme’,​ waarvan de publicaties der Internationale duidelijk blijk gaven. Hij verdedigde de theorie dat Napoleon III een offensieve samenzwering beraamde tegen Bismarck, om te voorkomen dat deze de Duitse rijkseenheid zou verwezenlijken.
  
Regel 255: Regel 255:
  
 De raad der Commune bestond officiëel uit negentig leden, die echter nooit voltallig hebben vergaderd. Sommigen - zoals Blanqui - waren gevangenen in handen der regering, anderen weigerden de bijeenkomsten bij te wonen, trokken zich terug of vluchtten, en sommigen sneuvelden. Aanvullende verkiezingen van 16 april wekten weinig belangstelling meer. Men kon zeggen dat 66 vertegenwoordigers revolutionairen waren van verschillende richtingen. Onder hen telde men 25 arbeiders, van wie er 13 leden waren van de Internationale. De raad der Commune bestond officiëel uit negentig leden, die echter nooit voltallig hebben vergaderd. Sommigen - zoals Blanqui - waren gevangenen in handen der regering, anderen weigerden de bijeenkomsten bij te wonen, trokken zich terug of vluchtten, en sommigen sneuvelden. Aanvullende verkiezingen van 16 april wekten weinig belangstelling meer. Men kon zeggen dat 66 vertegenwoordigers revolutionairen waren van verschillende richtingen. Onder hen telde men 25 arbeiders, van wie er 13 leden waren van de Internationale.
 +
 De Commune moest zich bezig houden met alle taken van een gouvernement,​ des te meer omdat zij in een oorlog was verwikkeld. Er werden commissies benoemd die men had kunnen vergelijken met ministeries,​ en voor één maand werd er een uitvoerend comité gevormd van zeven leden. Weliswaar was er verklaard, dat men streefde naar een federatie van communes, die de staat zou vervangen. Maar ondanks opstanden in provinciale steden bleef Parijs een eenzame revolutionaire post. Het centrale comité nam op zich, de Nationale Garde te zuiveren en de gewapende weerstand te organiseren van de ‘gefedereerden’,​ die echter alleen in Parijs de macht behielden. Daar lagen enorme voorraden wapens en munitie. De Commune beschikte over 60.000 strijders (en nog veel meer geweren) 1200 kanonnen, vijf forten en een vestingmuur,​ die van drie versterkte plaatsen af beschermd kon worden. De Commune moest zich bezig houden met alle taken van een gouvernement,​ des te meer omdat zij in een oorlog was verwikkeld. Er werden commissies benoemd die men had kunnen vergelijken met ministeries,​ en voor één maand werd er een uitvoerend comité gevormd van zeven leden. Weliswaar was er verklaard, dat men streefde naar een federatie van communes, die de staat zou vervangen. Maar ondanks opstanden in provinciale steden bleef Parijs een eenzame revolutionaire post. Het centrale comité nam op zich, de Nationale Garde te zuiveren en de gewapende weerstand te organiseren van de ‘gefedereerden’,​ die echter alleen in Parijs de macht behielden. Daar lagen enorme voorraden wapens en munitie. De Commune beschikte over 60.000 strijders (en nog veel meer geweren) 1200 kanonnen, vijf forten en een vestingmuur,​ die van drie versterkte plaatsen af beschermd kon worden.
 +
 Op 19 april publiceerde de Commune een oproep, die voornamelijk het werk was van de Proudhonist Pierre Denis. Er werd in gezegd dat ‘Parijs arbeidt en lijdt voor heel Frankrijk, en door zijn strijd en offers bereidt het de geestelijke,​ morele, administratieve en economische regeneratie voor ... De communale revolutie, die door het initiatief van het volk op 18 maart is begonnen, leidt een nieuw tijdperk in.’ Op 19 april publiceerde de Commune een oproep, die voornamelijk het werk was van de Proudhonist Pierre Denis. Er werd in gezegd dat ‘Parijs arbeidt en lijdt voor heel Frankrijk, en door zijn strijd en offers bereidt het de geestelijke,​ morele, administratieve en economische regeneratie voor ... De communale revolutie, die door het initiatief van het volk op 18 maart is begonnen, leidt een nieuw tijdperk in.’
  
 ‘Wat eist Parijs? De erkenning en bevestiging der republiek. De volstrekte autonomie der communes, die zich over alle gebieden van Frankrijk moeten uitstrekken. De onvervreemdbare rechten der commune zijn: de beslissingen over de gemeentebegroting;​ het vaststellen der belastingen;​ de leiding over de plaatselijke functionarissen;​ de regeling van haar vertegenwoordiging,​ de politie, het onderwijs en het gemeentebezit;​ de verkiezing van en duurzame controle op de overheden en beambten; volstrekte garantie voor de individuele vrijheid, voor vrijheid van geweten en arbeid; de organisatie der verdediging van de stad en van de Nationale Garde ... Niets anders verlangt Parijs van de republiek, op voorwaarde dat het in de grote gemeenschappelijke centrale vertegenwoordiging der gefedereerde communes dezelfde beginselen terugvindt.’ ‘Wat eist Parijs? De erkenning en bevestiging der republiek. De volstrekte autonomie der communes, die zich over alle gebieden van Frankrijk moeten uitstrekken. De onvervreemdbare rechten der commune zijn: de beslissingen over de gemeentebegroting;​ het vaststellen der belastingen;​ de leiding over de plaatselijke functionarissen;​ de regeling van haar vertegenwoordiging,​ de politie, het onderwijs en het gemeentebezit;​ de verkiezing van en duurzame controle op de overheden en beambten; volstrekte garantie voor de individuele vrijheid, voor vrijheid van geweten en arbeid; de organisatie der verdediging van de stad en van de Nationale Garde ... Niets anders verlangt Parijs van de republiek, op voorwaarde dat het in de grote gemeenschappelijke centrale vertegenwoordiging der gefedereerde communes dezelfde beginselen terugvindt.’
  
-Stellig had men hier te doen met een poging tot verwerkelijking der beginselen van Proudhon en Bakoenin. Hoezeer Marx zich daartegen ook had verzet, hij was thans wellicht onder de indruk van de opstand, waarmee alle revolutionairen bewogen meeleefden. Hij zou zich isoleren, indien hij zich tegen de Commune keerde. In zijn +Stellig had men hier te doen met een poging tot verwerkelijking der beginselen van Proudhon en Bakoenin. Hoezeer Marx zich daartegen ook had verzet, hij was thans wellicht onder de indruk van de opstand, waarmee alle revolutionairen bewogen meeleefden. Hij zou zich isoleren, indien hij zich tegen de Commune keerde. In zijn ‘Bürgerkrieg in Frankreich’ prees hij dan ook de beginselen van de Commune: ‘Het eerste besluit der Commune was ... de opheffing van het staande leger en zijn vervanging door het gewapende volk ... De Commune vormde zich uit de door algemeen stemrecht in de verschillende districten van Parijs gekozen raadsleden. Zij waren verantwoordelijk en te allen tijde afzetbaar. De meerderheid van hen bestond, zoals van zelf spreekt, uit arbeiders of erkende vertegenwoordigers der arbeidende klasse ... De politie, tot nu toe het werktuig der regering van de staat, werd terstond van al haar politieke kenmerken ontdaan en veranderd in het verantwoordelijke en te allen tijde afzetbare werktuig der Commune ... Van de leden der Commune tot het laagste ambt moest de openbare dienst voor arbeidersloon verricht worden ... De Commune ging er (toen het staande leger en de politie, de werktuigen van de materiële macht der oude regering, eenmaal gebroken waren) terstond toe over het geestelijke werktuig ter onderdrukking,​ de macht der geestelijkheid,​ te breken ... De rechterlijke ambtenaren verloren hun schijnbare onafhankelijkheid ... Evenals alle overige openbare dienaren moesten zij in het vervolg gekozen worden, verantwoordelijk en afzetbaar zijn ... De Commune moest niet een parlementair,​ maar een werkend lichaam zijn, uitvoerend en wetgevend tegelijkertijd.’ Later zou de ‘revisionist’ Eduard Bernstein in zijn ‘Voraussetzungen des Sozialismus’ ironisch opmerken dat Marx hier een programma ontwikkelde ‘dat naar zijn politieke inhoud in al zijn voornaamste trekken de grootste gelijkenis vertoonde met het federalisme van Proudhon ... Bij alle verdere verschillen tussen Marx en de “kleinburger” Proudhon is op deze punten de gedachtegang zo gelijk als maar mogelijk is.’ In 1872 hebben Marx en Engels een nieuwe voorrede geschreven voor hun Communistisch Manifest en daarin gezegd dat sinds 1848 het Manifest hier en daar verouderd was: ‘Met name heeft de Commune het bewijs geleverd dat de arbeidersklasse de bestaande staatsmachine niet eenvoudig in bezit nemen en haar voor haar eigen doeleinden in beweging zetten kan.’ In zijn ‘Bürgerkrieg’ heeft Marx een onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke functies van de staat, die niet afgeschaft kunnen worden, en de staat als zodanig. ‘De eenheid der natie moest niet gebroken, maar integendeel georganiseerd worden door de vernietiging van de staatsmacht,​ die zich voor de belichaming van die eenheid uitgaf, maar in werkelijkheid onafhankelijk en overheersend zijn wilde tegenover de natie, aan welker lichaam zij toch slechts een parasiterende uitwas vormde. Terwijl het er om ging de alleen onderdrukkende organen der oude regeringsmacht af te snijden, moesten haar terecht bestaande functies ontrukt worden aan een macht die er aanspraak op maakte boven de maatschappij te staan, en worden teruggegeven aan de verantwoordelijke dienaren der samenleving.’ Wat Marx in 1871 en 1872 schreef over de staat bleek echter wel uitzonderlijk en weinig in overeenstemming met de programma'​s,​ die hij gewoonlijk opstelde of onderschreef.
-‘Bürgerkrieg in Frankreich’ prees hij dan ook de beginselen van de Commune: ‘Het eerste besluit der Commune was ... de opheffing van het staande leger en zijn vervanging door het gewapende volk ... De Commune vormde zich uit de door algemeen stemrecht in de verschillende districten van Parijs gekozen raadsleden. Zij waren verantwoordelijk en te allen tijde afzetbaar. De meerderheid van hen bestond, zoals van zelf spreekt, uit arbeiders of erkende vertegenwoordigers der arbeidende klasse ... De politie, tot nu toe het werktuig der regering van de staat, werd terstond van al haar politieke kenmerken ontdaan en veranderd in het verantwoordelijke en te allen tijde afzetbare werktuig der Commune ... Van de leden der Commune tot het laagste ambt moest de openbare dienst voor arbeidersloon verricht worden ... De Commune ging er (toen het staande leger en de politie, de werktuigen van de materiële macht der oude regering, eenmaal gebroken waren) terstond toe over het geestelijke werktuig ter onderdrukking,​ de macht der geestelijkheid,​ te breken ... De rechterlijke ambtenaren verloren hun schijnbare onafhankelijkheid ... Evenals alle overige openbare dienaren moesten zij in het vervolg gekozen worden, verantwoordelijk en afzetbaar zijn ... De Commune moest niet een parlementair,​ maar een werkend lichaam zijn, uitvoerend en wetgevend tegelijkertijd.’ Later zou de ‘revisionist’ Eduard Bernstein in zijn ‘Voraussetzungen des Sozialismus’ ironisch opmerken dat Marx hier een programma ontwikkelde ‘dat naar zijn politieke inhoud in al zijn voornaamste trekken de grootste gelijkenis vertoonde met het federalisme van Proudhon ... Bij alle verdere verschillen tussen Marx en de “kleinburger” Proudhon is op deze punten de gedachtegang zo gelijk als maar mogelijk is.’ In 1872 hebben Marx en Engels een nieuwe voorrede geschreven voor hun Communistisch Manifest en daarin gezegd dat sinds 1848 het Manifest hier en daar verouderd was: ‘Met name heeft de Commune het bewijs geleverd dat de arbeidersklasse de bestaande staatsmachine niet eenvoudig in bezit nemen en haar voor haar eigen doeleinden in beweging zetten kan.’ In zijn ‘Bürgerkrieg’ heeft Marx een onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke functies van de staat, die niet afgeschaft kunnen worden, en de staat als zodanig. ‘De eenheid der natie moest niet gebroken, maar integendeel georganiseerd worden door de vernietiging van de staatsmacht,​ die zich voor de belichaming van die eenheid uitgaf, maar in werkelijkheid onafhankelijk en overheersend zijn wilde tegenover de natie, aan welker lichaam zij toch slechts een parasiterende uitwas vormde. Terwijl het er om ging de alleen onderdrukkende organen der oude regeringsmacht af te snijden, moesten haar terecht bestaande functies ontrukt worden aan een macht die er aanspraak op maakte boven de maatschappij te staan, en worden teruggegeven aan de verantwoordelijke dienaren der samenleving.’ Wat Marx in 1871 en 1872 schreef over de staat bleek echter wel uitzonderlijk en weinig in overeenstemming met de programma'​s,​ die hij gewoonlijk opstelde of onderschreef.+
  
 Binnen de Commune en ook later is het altijd een twistpunt gebleven, of ze te weing of te veel macht delegeerde aan personen en commissies, of ze te veel of te weinig ‘directe democratie’ verwezenlijkte,​ en meer of minder centraal gezag behoefde. Het is waar dat Marx ‘de verovering der democratie door de arbeidersklasse’ gelijk stelde met de ‘dictatuur van het proletariaat’. Maar de Russische bolsjewiki concludeerden uit de Parijse ervaringen dat een revolutie geleid moet worden door een autoritaire partij. Men kan echter weinig conclusies verbinden aan de historie van de Commune: zij hield slechts twee maanden stand, onder de allerslechtste omstandigheden,​ en zij ging onder aan het geweld van overmachtige vijanden. Binnen de Commune en ook later is het altijd een twistpunt gebleven, of ze te weing of te veel macht delegeerde aan personen en commissies, of ze te veel of te weinig ‘directe democratie’ verwezenlijkte,​ en meer of minder centraal gezag behoefde. Het is waar dat Marx ‘de verovering der democratie door de arbeidersklasse’ gelijk stelde met de ‘dictatuur van het proletariaat’. Maar de Russische bolsjewiki concludeerden uit de Parijse ervaringen dat een revolutie geleid moet worden door een autoritaire partij. Men kan echter weinig conclusies verbinden aan de historie van de Commune: zij hield slechts twee maanden stand, onder de allerslechtste omstandigheden,​ en zij ging onder aan het geweld van overmachtige vijanden.
Regel 272: Regel 273:
  
 De regering van Versailles kon zich concentreren op de vernietiging der Commune, omdat opstanden in andere steden mislukten. Lyon kwam weer vergeefs in beweging, Marseille was slechts tijdelijk in handen van het volk, in verscheidene andere steden werd rebellie bloedig onderdrukt. Van het begin van april af volgden voor de Parijzenaars nederlaag op nederlaag. Flourens en Duval, geliefde leiders van de strijd, werden bij gevechten gevangen genomen en daarna vermoord. De regeringstroepen begonnen gevangenen stelselmatig te fusilleren. Generaal Cluseret, wiens rol in Lyon blijkbaar onvoldoende bekend was, leidde enige tijd de verdediging totdat hij terecht wegens sabotage van de weerbaarheid werd afgezet en vervangen door Rossel, die weer werd opgevolgd door de onkreukbare Delescluze. Deze stierf in de eindstrijd op de barricaden. Nadat de Commune vergeefs had gepoogd de regering te bewegen een einde te maken aan het doden van gevangenen dreigde zij een aantal gijzelaars terecht te stellen. De Napoleontische zuil op de Place Vendôme werd nog op 16 mei neergehaald. De regering van Versailles kon zich concentreren op de vernietiging der Commune, omdat opstanden in andere steden mislukten. Lyon kwam weer vergeefs in beweging, Marseille was slechts tijdelijk in handen van het volk, in verscheidene andere steden werd rebellie bloedig onderdrukt. Van het begin van april af volgden voor de Parijzenaars nederlaag op nederlaag. Flourens en Duval, geliefde leiders van de strijd, werden bij gevechten gevangen genomen en daarna vermoord. De regeringstroepen begonnen gevangenen stelselmatig te fusilleren. Generaal Cluseret, wiens rol in Lyon blijkbaar onvoldoende bekend was, leidde enige tijd de verdediging totdat hij terecht wegens sabotage van de weerbaarheid werd afgezet en vervangen door Rossel, die weer werd opgevolgd door de onkreukbare Delescluze. Deze stierf in de eindstrijd op de barricaden. Nadat de Commune vergeefs had gepoogd de regering te bewegen een einde te maken aan het doden van gevangenen dreigde zij een aantal gijzelaars terecht te stellen. De Napoleontische zuil op de Place Vendôme werd nog op 16 mei neergehaald.
 +
 Dan begint, op 21 mei, de doodstrijd. De grote aanval is begonnen. Onophoudelijk dondert het geschut. Bezield door de woorden van Delescluze richt het volk overal barricaden op. Er is van een verdedigingsplan geen sprake: elke wijk probeert zich te verdedigen zo goed zij kan. De oprukkende ‘Versaillanen’ hebben de Champs-Elysées bezet en richten vandaar het vuur op de Rue de Rivoli. Op 23 mei gaat Montmartre verloren. De dag daarna geeft de raad van de Commune opdracht, de stad in brand te steken om de aanvallers tegen te houden. Met petroleum worden historische gebouwen overgoten, overal laaien de vlammen op. In de gloed van kolkende en omhoog schietende vuurzeeën storten het stadhuis, het paleis der Tuilerieën,​ het palais-Royal en het Louvre ineen; slechts puinhopen staan nog overeind. Pas dan worden zes gijzelaars (onder wie de aartsbisschop Darboy) gefusilleerd. Twee dagen duurt nog de hopeloze strijd, die een slachting van communards is geworden, voort. De ‘vijfde colonne’ komt onverhoeds te voorschijn en valt de opstandelingen in de rug aan. Het geschut der aanvallers verwekt talloze branden in de arbeiderswijken,​ het aantal moorden op rebellen herinnert aan de Bartholomeusnacht. Wanneer op de ochtend van de 26ste mei de editie verschijnt van de burgerlijke ‘Siècle’ lezen de Fransen daarin: ‘Dit is razernij. Men onderscheidt niet meer tussen schuldigen en onschuldigen. Iedereen is voor iedereen verdacht. De rapporten met aanklachten van aanbrengers groeien tot bergen aan. Het leven der burgers weegt zo licht als een veer. Voor een ja of een neen wordt men gearresteerd en neergeschoten.’ Massaterechtstellingen vinden plaats op pleinen en binnenplaatsen. Dan begint, op 21 mei, de doodstrijd. De grote aanval is begonnen. Onophoudelijk dondert het geschut. Bezield door de woorden van Delescluze richt het volk overal barricaden op. Er is van een verdedigingsplan geen sprake: elke wijk probeert zich te verdedigen zo goed zij kan. De oprukkende ‘Versaillanen’ hebben de Champs-Elysées bezet en richten vandaar het vuur op de Rue de Rivoli. Op 23 mei gaat Montmartre verloren. De dag daarna geeft de raad van de Commune opdracht, de stad in brand te steken om de aanvallers tegen te houden. Met petroleum worden historische gebouwen overgoten, overal laaien de vlammen op. In de gloed van kolkende en omhoog schietende vuurzeeën storten het stadhuis, het paleis der Tuilerieën,​ het palais-Royal en het Louvre ineen; slechts puinhopen staan nog overeind. Pas dan worden zes gijzelaars (onder wie de aartsbisschop Darboy) gefusilleerd. Twee dagen duurt nog de hopeloze strijd, die een slachting van communards is geworden, voort. De ‘vijfde colonne’ komt onverhoeds te voorschijn en valt de opstandelingen in de rug aan. Het geschut der aanvallers verwekt talloze branden in de arbeiderswijken,​ het aantal moorden op rebellen herinnert aan de Bartholomeusnacht. Wanneer op de ochtend van de 26ste mei de editie verschijnt van de burgerlijke ‘Siècle’ lezen de Fransen daarin: ‘Dit is razernij. Men onderscheidt niet meer tussen schuldigen en onschuldigen. Iedereen is voor iedereen verdacht. De rapporten met aanklachten van aanbrengers groeien tot bergen aan. Het leven der burgers weegt zo licht als een veer. Voor een ja of een neen wordt men gearresteerd en neergeschoten.’ Massaterechtstellingen vinden plaats op pleinen en binnenplaatsen.
 Gewonden worden in lazaretten gedood. Gewonden worden in lazaretten gedood.
Regel 288: Regel 290:
 1793 Charlotte Corday de revolutionaire leider Marat had doodgestoken (door haar beschouwd als een tiran) had zij gezegd: ‘Ik heb één man gedood om honderdduizenden te redden.’ Hoewel de meeste politieke moorden - men denke aan de tijd der Renaissance,​ Reformatie en Contrareformatie - door leden van de overheid zijn gepleegd, is de liquidatie van een dictator door het nageslacht bijna altijd verdedigd als een begrijpelijke en vaak heilzame daad. 1793 Charlotte Corday de revolutionaire leider Marat had doodgestoken (door haar beschouwd als een tiran) had zij gezegd: ‘Ik heb één man gedood om honderdduizenden te redden.’ Hoewel de meeste politieke moorden - men denke aan de tijd der Renaissance,​ Reformatie en Contrareformatie - door leden van de overheid zijn gepleegd, is de liquidatie van een dictator door het nageslacht bijna altijd verdedigd als een begrijpelijke en vaak heilzame daad.
  
-Deze opvatting werd in de negentiende eeuw versterkt door de berichten, die uit het absolutistisch geregeerde Rusland kwamen. Na 1848, toen de tsaar had ingegrepen om de Hongaarse opstand te helpen neerslaan; na 1863 toen wederom een Poolse revolutie was onderdrukt; na de massa-arrestaties en verbanningen van Russische revolutionairen gold het ook in het Westen als onvermijdelijk dat aanslagen nog de enig mogelijke vorm waren van noodzakelijk verzet. De invloed van Alexander Herzen, met wie Bakoenin (na zijn ontsnapping uit Siberië) enige jaren had samengewerkt,​ was voornamelijk ideologisch,​ gericht op een vaag democratisch socialisme. Hij keerde zich in beginsel tegen het revolutionaire geweld. ‘Wie niet wil dat de beschaving wordt gevestigd met de knoet, mag de bevrijding niet willen bereiken met de guillotine.’ Maar wel riep hij op christelijke wijze herhaaldelijk het beeld op van een bloedige Apocalyps, een Wereldondergang waaruit de nieuwe orde geboren zou worden. Er ontstonden in Rusland talrijke kleine groepen van terroristen,​ van wie sommige in verbinding hadden gestaan met anarchisten. Bakoenin heeft, meer uit sentimentele dan uit theoretische overwegingen,​ in Genève (in 1868) de jonge Sergei Netsjajew beschermd die uit Rusland was gevlucht en poseerde als volmaakt nihilist. Hij publiceerde enige pamfletten waarin hij roof en moord ten aanzien van landheren en adellijke hofdienaren aanbeval. Met financiële hulp van Herzen (op voorspraak van Bakoenin) was Netsjajew clandestien teruggekeerd naar Moskou en daar had hij een +Deze opvatting werd in de negentiende eeuw versterkt door de berichten, die uit het absolutistisch geregeerde Rusland kwamen. Na 1848, toen de tsaar had ingegrepen om de Hongaarse opstand te helpen neerslaan; na 1863 toen wederom een Poolse revolutie was onderdrukt; na de massa-arrestaties en verbanningen van Russische revolutionairen gold het ook in het Westen als onvermijdelijk dat aanslagen nog de enig mogelijke vorm waren van noodzakelijk verzet. De invloed van Alexander Herzen, met wie Bakoenin (na zijn ontsnapping uit Siberië) enige jaren had samengewerkt,​ was voornamelijk ideologisch,​ gericht op een vaag democratisch socialisme. Hij keerde zich in beginsel tegen het revolutionaire geweld. ‘Wie niet wil dat de beschaving wordt gevestigd met de knoet, mag de bevrijding niet willen bereiken met de guillotine.’ Maar wel riep hij op christelijke wijze herhaaldelijk het beeld op van een bloedige Apocalyps, een Wereldondergang waaruit de nieuwe orde geboren zou worden. Er ontstonden in Rusland talrijke kleine groepen van terroristen,​ van wie sommige in verbinding hadden gestaan met anarchisten. Bakoenin heeft, meer uit sentimentele dan uit theoretische overwegingen,​ in Genève (in 1868) de jonge Sergei Netsjajew beschermd die uit Rusland was gevlucht en poseerde als volmaakt nihilist. Hij publiceerde enige pamfletten waarin hij roof en moord ten aanzien van landheren en adellijke hofdienaren aanbeval. Met financiële hulp van Herzen (op voorspraak van Bakoenin) was Netsjajew clandestien teruggekeerd naar Moskou en daar had hij een mede-student gedood, die door hem valselijk van verraad was beschuldigd. Opnieuw naar Zwitserland uitgeweken werd hij daar in 1872 gearresteerd,​ uitgeleverd en in Rusland tot levenslange opsluiting veroordeeld. Hij stierf na tien jaar celstraf. Maar hij had (ook volgens Bakoenin, die bitter in hem teleurgesteld werd) een gevaarlijke invloed uitgeoefend,​ en talrijke jonge mensen tot onverantwoordelijke daden en nutteloos-gevaarlijke acties bewogen.
-mede-student gedood, die door hem valselijk van verraad was beschuldigd. Opnieuw naar Zwitserland uitgeweken werd hij daar in 1872 gearresteerd,​ uitgeleverd en in Rusland tot levenslange opsluiting veroordeeld. Hij stierf na tien jaar celstraf. Maar hij had (ook volgens Bakoenin, die bitter in hem teleurgesteld werd) een gevaarlijke invloed uitgeoefend,​ en talrijke jonge mensen tot onverantwoordelijke daden en nutteloos-gevaarlijke acties bewogen.+
  
 Begrijpelijk was echter de tijdelijke bekoring, die er van Netsjajew uitging, omdat deze zich van anarchistische theorieën had bediend. Tientallen studenten hadden zich oprecht in de strijd tegen het tsarisme geworpen. En nadat een grote groep van hen terecht had gestaan schreef Bakoenin in 1869 zijn ‘Woorden tot onze jonge broeders in Rusland.’ ‘Gij verheft u, men kan u niet begraven. Geen even opflikkerende vlam van lichtzinnigheid zijt gij, maar volhardend brandend vuur ... Verlaat, jongeren, uw universiteiten. Niet dáár kan men u onderwijzen. De wetenschap der universiteiten is dood en dor. Gaat tot het volk. Het hart van allen zal met en voor u kloppen.’ Begrijpelijk was echter de tijdelijke bekoring, die er van Netsjajew uitging, omdat deze zich van anarchistische theorieën had bediend. Tientallen studenten hadden zich oprecht in de strijd tegen het tsarisme geworpen. En nadat een grote groep van hen terecht had gestaan schreef Bakoenin in 1869 zijn ‘Woorden tot onze jonge broeders in Rusland.’ ‘Gij verheft u, men kan u niet begraven. Geen even opflikkerende vlam van lichtzinnigheid zijt gij, maar volhardend brandend vuur ... Verlaat, jongeren, uw universiteiten. Niet dáár kan men u onderwijzen. De wetenschap der universiteiten is dood en dor. Gaat tot het volk. Het hart van allen zal met en voor u kloppen.’
Regel 498: Regel 499:
 ==== Leo Tolstoi ==== ==== Leo Tolstoi ====
  
-De grote Russische theoretici van het anarchisme zijn merkwaardigerwijze voortgekomen uit de hoge adel. In het Westen placht men te spreken van Vorst Bakoenin, Prins Kropotkin en Graaf Tolstoi. Deze laatste verkreeg overigens zijn grootste (en verdiende) roem door zijn romans en vertellingen. Een meesterwerk is +De grote Russische theoretici van het anarchisme zijn merkwaardigerwijze voortgekomen uit de hoge adel. In het Westen placht men te spreken van Vorst Bakoenin, Prins Kropotkin en Graaf Tolstoi. Deze laatste verkreeg overigens zijn grootste (en verdiende) roem door zijn romans en vertellingen. Een meesterwerk is ‘Oorlog en Vrede’, terecht vermaard ‘Anna Karenina’ en zeer populair waren zijn volksvertellingen,​ die tegelijk gelijkenissen zijn en een sociale moraal inhouden. In Rusland is en wordt hij zoveel gelezen, dat noch de tsaristische,​ noch de bolsjewistische regeringen zijn werk hebben kunnen verbieden. In zijn letterkundige scheppingen hervindt men overigens duidelijk de veranderingen in zijn mentaliteit. Hij nam als officier deel aan de Krimoorlog, leefde als een rijk grondbezitter,​ maar werd meer en meer gekweld door zijn onverdiende maatschappelijke voorrechten. Hoewel hij in theologische zin geen goed christen was - hij werd in 1901 uit de orthodoxe kerk gebannen, en niet alleen wegens zijn revolutionaire inzichten - leidde zijn schuldgevoel hem tot het Evangelie, waarin hij overigens de belichaming meende te vinden van de rede en ethiek. Hetzelfde zondebesef bracht hem ertoe op puriteinse wijze de zinlijke erotiek af te zweren, van welke bekering bijvoorbeeld de ‘Kreutzer Sonate’ een irriterende getuigenis aflegt. Hij was, ook al door zijn uiteindelijk mislukte huwelijk, een ongelukkig mens. Maar aan zijn medelijden met andere ongelukkigen kon niemand twijfelen.
-‘Oorlog en Vrede’, terecht vermaard ‘Anna Karenina’ en zeer populair waren zijn volksvertellingen,​ die tegelijk gelijkenissen zijn en een sociale moraal inhouden. In Rusland is en wordt hij zoveel gelezen, dat noch de tsaristische,​ noch de bolsjewistische regeringen zijn werk hebben kunnen verbieden. In zijn letterkundige scheppingen hervindt men overigens duidelijk de veranderingen in zijn mentaliteit. Hij nam als officier deel aan de Krimoorlog, leefde als een rijk grondbezitter,​ maar werd meer en meer gekweld door zijn onverdiende maatschappelijke voorrechten. Hoewel hij in theologische zin geen goed christen was - hij werd in 1901 uit de orthodoxe kerk gebannen, en niet alleen wegens zijn revolutionaire inzichten - leidde zijn schuldgevoel hem tot het Evangelie, waarin hij overigens de belichaming meende te vinden van de rede en ethiek. Hetzelfde zondebesef bracht hem ertoe op puriteinse wijze de zinlijke erotiek af te zweren, van welke bekering bijvoorbeeld de ‘Kreutzer Sonate’ een irriterende getuigenis aflegt. Hij was, ook al door zijn uiteindelijk mislukte huwelijk, een ongelukkig mens. Maar aan zijn medelijden met andere ongelukkigen kon niemand twijfelen.+
  
-Tot grondslag van zijn levensbeschouwing nam hij de liefde, vaak opgevat als in de praktijk gebrachte redelijkheid. Zijn voortdurend beroep op het Evangelie kwam voort uit de veronderstelling,​ dat daarin - en in het leven van Jezus, voor hem een edel mens bij uitstek - de menselijke liefde het best en het indrukwekkendst tot uiting kwam. Vandaar dat zijn politieke verhandelingen religieus van aard zijn: +Tot grondslag van zijn levensbeschouwing nam hij de liefde, vaak opgevat als in de praktijk gebrachte redelijkheid. Zijn voortdurend beroep op het Evangelie kwam voort uit de veronderstelling,​ dat daarin - en in het leven van Jezus, voor hem een edel mens bij uitstek - de menselijke liefde het best en het indrukwekkendst tot uiting kwam. Vandaar dat zijn politieke verhandelingen religieus van aard zijn: ‘Bekentenissen’ ​(1879) 'Kort begrip van het Evangelie'​ (1880) en  ​[[Het Koninkrijk Gods zit in jezelf]]’ (1893). Hij vermijdt het woord anarchisme voor zijn theorieën, omdat deze term te zeer doet denken aan geweld. En Tolstoi verklaart zich voor volstrekte geweldloosheid.
- +
-‘Bekentenissen’ ‘Het Koninkrijk Gods is binnen ​in ulieden’ (1893). Hij vermijdt het woord anarchisme voor zijn theorieën, omdat deze term te zeer doet denken aan geweld. En Tolstoi verklaart zich voor volstrekte geweldloosheid.+
  
 Dat hij in de kerken antichristelijke instellingen zag was - begrijpelijk,​ want uitgaande van het Evangelie zijn zij dat natuurlijk. Maar hij had ook een bijzondere opvatting aangaande God, voor hem ‘de geest van de mens’, het ‘zedelijke bewustzijn of het geweten’, een bovenpersoonlijke immateriële macht. Het geloof aan een persoonlijke onsterfelijkheid heeft hij niet gepropageerd,​ al heeft de mens deel aan de eeuwige Logos, aan ‘het nimmer stervende Leven’. Daarin ligt, verborgen of zich openbarend, de liefde waarin alle tegenstellingen worden opgeheven. Deze liefde is waarlijk God, en aan hem moeten wij gehoorzamen. Daaruit vloeit voort dat de mens kwaad niet met kwaad mag vergelden. Weersta de Boze niet ... met geweld. Vandaar dat Tolstoi ook het geweld van de staat niet erkent: deze heeft het recht niet van ons het afleggen van de eed te eisen, noch ook krijgsdienst te vorderen, noch over ons te oordelen. De staat is eerder de verpersoonlijking van het Boze dan van God. Zijn wet veroordeelt bepaalde vormen van eigenbaat en wreedheid; maar wanneer deze hem zelf ten goede komen, rechtvaardigt hij diefstal en moord. De staat is een afgod. In zijn verhandeling ‘Waarin bestaat mijn geloof?’ heeft Tolstoi gezegd: ‘De discipel van Christus zal arm zijn, hij moet niet in de stad, maar op het land wonen, niet thuis zitten maar in veld en bos arbeiden,​’ hij zal ‘in gemeenschap met alle mensen werken en sterven, zoals zij. Want wie naar macht streven verderven zichzelf en anderen. Het streven naar macht gaat niet samen met goedheid.’ Zonder zich te verhogen en anderen te vernederen, zonder huichelarij,​ leugen, gevangenis, vestingen, straffen en doodslag kan geen macht ontstaan of zich staande houden.’ Tolstoi velt een vreselijk vonnis over de staat: ‘Geen misdaad is zo vreselijk, dat zij niet door ambtenaren of door het leger wordt begaan.’ Elders noemt hij vreesaanjaging,​ verlokking met geld en hypnose de voornaamste middelen om de mensen te bewegen soldaat te worden. Dat hij in de kerken antichristelijke instellingen zag was - begrijpelijk,​ want uitgaande van het Evangelie zijn zij dat natuurlijk. Maar hij had ook een bijzondere opvatting aangaande God, voor hem ‘de geest van de mens’, het ‘zedelijke bewustzijn of het geweten’, een bovenpersoonlijke immateriële macht. Het geloof aan een persoonlijke onsterfelijkheid heeft hij niet gepropageerd,​ al heeft de mens deel aan de eeuwige Logos, aan ‘het nimmer stervende Leven’. Daarin ligt, verborgen of zich openbarend, de liefde waarin alle tegenstellingen worden opgeheven. Deze liefde is waarlijk God, en aan hem moeten wij gehoorzamen. Daaruit vloeit voort dat de mens kwaad niet met kwaad mag vergelden. Weersta de Boze niet ... met geweld. Vandaar dat Tolstoi ook het geweld van de staat niet erkent: deze heeft het recht niet van ons het afleggen van de eed te eisen, noch ook krijgsdienst te vorderen, noch over ons te oordelen. De staat is eerder de verpersoonlijking van het Boze dan van God. Zijn wet veroordeelt bepaalde vormen van eigenbaat en wreedheid; maar wanneer deze hem zelf ten goede komen, rechtvaardigt hij diefstal en moord. De staat is een afgod. In zijn verhandeling ‘Waarin bestaat mijn geloof?’ heeft Tolstoi gezegd: ‘De discipel van Christus zal arm zijn, hij moet niet in de stad, maar op het land wonen, niet thuis zitten maar in veld en bos arbeiden,​’ hij zal ‘in gemeenschap met alle mensen werken en sterven, zoals zij. Want wie naar macht streven verderven zichzelf en anderen. Het streven naar macht gaat niet samen met goedheid.’ Zonder zich te verhogen en anderen te vernederen, zonder huichelarij,​ leugen, gevangenis, vestingen, straffen en doodslag kan geen macht ontstaan of zich staande houden.’ Tolstoi velt een vreselijk vonnis over de staat: ‘Geen misdaad is zo vreselijk, dat zij niet door ambtenaren of door het leger wordt begaan.’ Elders noemt hij vreesaanjaging,​ verlokking met geld en hypnose de voornaamste middelen om de mensen te bewegen soldaat te worden.
Regel 540: Regel 538:
  
 Van de kant der anarchisten is de ontwikkeling van de vakbonden steeds met enig wantrouwen bezien. Van de zijde der meer individualistisch georiënteerde libertairen werd elke verantwoordelijkheid ervoor natuurlijk resoluut afgewezen, zoals bijvoorbeeld in ‘L'​anarchie’. Emile Armand schreef een brochure tegen de CGT. Maar er waren ook genoeg sociaal-anarchisten,​ die zich beriepen op Kropotkin, en die weigerden in de vakbonden cellen te zien voor de toekomstige economische organen ener staatloze maatschappij. In een uitgave van de Mouvement Socialiste van 1908 over ‘Syndicalisme et Socialisme’ heeft Hubert Lagardelle de verschillen uiteengezet die er volgens hem tussen syndicalisme en anarchisme bestonden. Hij definieërt het syndicalisme als een nieuwe doctrine onafhankelijk van socialisme en anarchisme beide, en ‘zichzelf genoeg’. Hij citeert de libertaire Temps Nouveaux van 15 december 1906 als voorbeeld voor het uiteenlopen der bewegingen. In dit anarchistische blad had Charles Benoît geschreven: ‘Is het niet duidelijk dat het syndicalisme niet alles kan zijn en dat de anarchisten er buitenom kunnen en moeten handelen, na er binnen te zijn opgetreden? Als heden in Frankrijk het communistische anarchisme schijnt te stagneren dan komt dit, zo geloof ik, doordat een te groot aantal kameraden hun actie beperken tot het syndicalisme:​ laten wij iets anders zijn dan syndicalistische militanten.’ Van de kant der anarchisten is de ontwikkeling van de vakbonden steeds met enig wantrouwen bezien. Van de zijde der meer individualistisch georiënteerde libertairen werd elke verantwoordelijkheid ervoor natuurlijk resoluut afgewezen, zoals bijvoorbeeld in ‘L'​anarchie’. Emile Armand schreef een brochure tegen de CGT. Maar er waren ook genoeg sociaal-anarchisten,​ die zich beriepen op Kropotkin, en die weigerden in de vakbonden cellen te zien voor de toekomstige economische organen ener staatloze maatschappij. In een uitgave van de Mouvement Socialiste van 1908 over ‘Syndicalisme et Socialisme’ heeft Hubert Lagardelle de verschillen uiteengezet die er volgens hem tussen syndicalisme en anarchisme bestonden. Hij definieërt het syndicalisme als een nieuwe doctrine onafhankelijk van socialisme en anarchisme beide, en ‘zichzelf genoeg’. Hij citeert de libertaire Temps Nouveaux van 15 december 1906 als voorbeeld voor het uiteenlopen der bewegingen. In dit anarchistische blad had Charles Benoît geschreven: ‘Is het niet duidelijk dat het syndicalisme niet alles kan zijn en dat de anarchisten er buitenom kunnen en moeten handelen, na er binnen te zijn opgetreden? Als heden in Frankrijk het communistische anarchisme schijnt te stagneren dan komt dit, zo geloof ik, doordat een te groot aantal kameraden hun actie beperken tot het syndicalisme:​ laten wij iets anders zijn dan syndicalistische militanten.’
 +
 Men kan dus opnieuw constateren dat anarchistische methoden (zoals die der algemene staking, van de directe en buitenparlementaire actie, van het lijdelijk verzet) zeer wel kunnen worden aangewend voor geheel andere doeleinden dan de vestiging van een staatloze samenleving. In 1923, toen de Franse troepen het Ruhrgebied hadden bezet is deze strijdwijze aangewend voor Duitse nationalistische oogmerken, al werd zij dan door de arbeiders van vrijwel alle schakeringen doorgevoerd. Of men in dergelijke gevallen nog mag spreken van ‘invloed van het anarchisme’ is even twijfelachtig als inzake de strijd van Mahatma Gandhi en dominee King. Men kan dus opnieuw constateren dat anarchistische methoden (zoals die der algemene staking, van de directe en buitenparlementaire actie, van het lijdelijk verzet) zeer wel kunnen worden aangewend voor geheel andere doeleinden dan de vestiging van een staatloze samenleving. In 1923, toen de Franse troepen het Ruhrgebied hadden bezet is deze strijdwijze aangewend voor Duitse nationalistische oogmerken, al werd zij dan door de arbeiders van vrijwel alle schakeringen doorgevoerd. Of men in dergelijke gevallen nog mag spreken van ‘invloed van het anarchisme’ is even twijfelachtig als inzake de strijd van Mahatma Gandhi en dominee King.
  
Regel 557: Regel 556:
  
 ===== VIII De Russische revolutie ===== ===== VIII De Russische revolutie =====
- 
  
 ==== Het voorspel ==== ==== Het voorspel ====
Regel 568: Regel 566:
  
 De Sowjet van Petersburg, die de leiding had gehad van de gehele beweging (en waarin ook Trotski actief was geweest) werd in december overrompeld en haar leden werden gearresteerd. Onder hen vond men verscheidene anarchisten,​ wier principes de radenbeweging mede hadden bezield. Het aantal tegenstanders van de parlementaire methode en het getal der voorstanders van de directe actie was door de revolutionaire situatie zeer toegenomen. De Sowjet van Petersburg, die de leiding had gehad van de gehele beweging (en waarin ook Trotski actief was geweest) werd in december overrompeld en haar leden werden gearresteerd. Onder hen vond men verscheidene anarchisten,​ wier principes de radenbeweging mede hadden bezield. Het aantal tegenstanders van de parlementaire methode en het getal der voorstanders van de directe actie was door de revolutionaire situatie zeer toegenomen.
 +
 De door het regime ingestelde Doema bleek inderdaad een machteloos orgaan te zijn. Toch leidde de oorlog van 1914 niet direct tot nieuwe woelingen: er was aanvankelijk sprake van een vrij algemene goedkeuring der mobilisatie. Op 26 juli 1914 had de bolsjewistische fractie in de Doema een standpunt ingenomen, verdedigd door Kamenjew, dat niet veel verschilde van dat der reformistische mensjewiki. Zij verwierp het ‘misplaatst patriottisme,​ onder welke dekmantel de heersende klassen hun roofpolitiek voeren’, maar verklaarde tevens ‘dat het proletariaat het cultureel welzijn van het volk zou verdedigen tegen elke inbreuk, van welke kant die inmenging ook zou komen, van binnen of van buiten.’ In februari 1917 besloot Kamenjew de republikeinse regering van Kerenski te steunen ‘voorzover die strijdt tegen reactie of contrarevolutie.’ Zolang de Duitse arbeiders trouw bleven aan hun keizer moest de Russische soldaat ‘standvastig op zijn post staan en kogel met kogel, salvo met salvo beantwoorden.’ Tegenover deze houding hadden de Russische anarchisten propaganda gemaakt voor de revolutie. Maar erkend moet worden dat Lenin in beginsel hetzelfde had gedaan (hij wilde de imperialistische krijg omzetten in een revolutionaire oorlog) terwijl Kropotkin had opgewekt om de strijd tegen de Duitsers onvoorwaardelijk voort te zetten. De door het regime ingestelde Doema bleek inderdaad een machteloos orgaan te zijn. Toch leidde de oorlog van 1914 niet direct tot nieuwe woelingen: er was aanvankelijk sprake van een vrij algemene goedkeuring der mobilisatie. Op 26 juli 1914 had de bolsjewistische fractie in de Doema een standpunt ingenomen, verdedigd door Kamenjew, dat niet veel verschilde van dat der reformistische mensjewiki. Zij verwierp het ‘misplaatst patriottisme,​ onder welke dekmantel de heersende klassen hun roofpolitiek voeren’, maar verklaarde tevens ‘dat het proletariaat het cultureel welzijn van het volk zou verdedigen tegen elke inbreuk, van welke kant die inmenging ook zou komen, van binnen of van buiten.’ In februari 1917 besloot Kamenjew de republikeinse regering van Kerenski te steunen ‘voorzover die strijdt tegen reactie of contrarevolutie.’ Zolang de Duitse arbeiders trouw bleven aan hun keizer moest de Russische soldaat ‘standvastig op zijn post staan en kogel met kogel, salvo met salvo beantwoorden.’ Tegenover deze houding hadden de Russische anarchisten propaganda gemaakt voor de revolutie. Maar erkend moet worden dat Lenin in beginsel hetzelfde had gedaan (hij wilde de imperialistische krijg omzetten in een revolutionaire oorlog) terwijl Kropotkin had opgewekt om de strijd tegen de Duitsers onvoorwaardelijk voort te zetten.
  
Regel 659: Regel 658:
 ===== Het volksverzet ===== ===== Het volksverzet =====
  
-Overal waar de generaals in hun opzet slaagden volgde een meedogenloze terreur. Toch aarzelde nog de republikeinse regering. Azaña, eerst premier van het volksfront en daarna staatspresident,​ was opgevolgd door de even burgerlijke Casares Quiroga. Deze weigerde in te stemmen met de eis van socialisten,​ communisten en anarchisten om het volk te bewapenen, en hij trachtte te onderhandelen met de militaire junta. Intussen echter beschikten de vakbonden en de linksradicale beweging over genoeg wapens om althans te pogen, de generaals de voet dwars te zetten. De burgeroorlog was onmiddellijk een feit. De regering trad af en Martínez Barrio vormde een nieuw kabinet. Hij benoemde generaal Miaja (die tot kort voor het einde de republiek trouw zou blijven) tot zijn minister van oorlog, en droeg hem op te onderhandelen met de opstandige officieren, teneinde een compromis te bereiken. Dit was onmogelijk, ook dit kabinet trad af, en eerst de nieuwe premier José Giral gaf opdracht het volk van wapens te voorzien. Na bloedige gevechten bleven voorlopig in het noorden twee Baskische provincies en een groot deel van Asturië behouden voor de republiek, alsmede de oostelijke gewesten van Spanje (met de gebieden rond Barcelona en Valencia) het centrum met Madrid en belangrijke gedeelten van het zuiden (Andalusië) waar overigens verschrikkelijk gevochten werd. In de loop van de daarop volgende jaren verkreeg Franco zoveel bijstand van de Duitse luchtmacht en Italiaanse divisies, dat het republikeinse front geleidelijk afbrokkelde. Toch gingen de laatste bolwerken (Madrid, Barcelona, Valencia) pas verloren in het voorjaar van 1939. Op 31 maart +Overal waar de generaals in hun opzet slaagden volgde een meedogenloze terreur. Toch aarzelde nog de republikeinse regering. Azaña, eerst premier van het volksfront en daarna staatspresident,​ was opgevolgd door de even burgerlijke Casares Quiroga. Deze weigerde in te stemmen met de eis van socialisten,​ communisten en anarchisten om het volk te bewapenen, en hij trachtte te onderhandelen met de militaire junta. Intussen echter beschikten de vakbonden en de linksradicale beweging over genoeg wapens om althans te pogen, de generaals de voet dwars te zetten. De burgeroorlog was onmiddellijk een feit. De regering trad af en Martínez Barrio vormde een nieuw kabinet. Hij benoemde generaal Miaja (die tot kort voor het einde de republiek trouw zou blijven) tot zijn minister van oorlog, en droeg hem op te onderhandelen met de opstandige officieren, teneinde een compromis te bereiken. Dit was onmogelijk, ook dit kabinet trad af, en eerst de nieuwe premier José Giral gaf opdracht het volk van wapens te voorzien. Na bloedige gevechten bleven voorlopig in het noorden twee Baskische provincies en een groot deel van Asturië behouden voor de republiek, alsmede de oostelijke gewesten van Spanje (met de gebieden rond Barcelona en Valencia) het centrum met Madrid en belangrijke gedeelten van het zuiden (Andalusië) waar overigens verschrikkelijk gevochten werd. In de loop van de daarop volgende jaren verkreeg Franco zoveel bijstand van de Duitse luchtmacht en Italiaanse divisies, dat het republikeinse front geleidelijk afbrokkelde. Toch gingen de laatste bolwerken (Madrid, Barcelona, Valencia) pas verloren in het voorjaar van 1939. Op 31 maart 1939 was de republiek bezweken. Het land was onbeschrijflijk geteisterd, de bevolking uitgeput, het zwarte schrikbewind kende geen grenzen meer. De laagste schattingen van het aantal slachtoffers (dat stellig groter is geweest dan deze cijfers vermelden) waren aldus gesneuveld 325.000, vermoord 100.000, van honger en ziekte gestorven 225.000, gevangen in concentratiekampen 200.000, naar het buitenland gevlucht 350.000. Tezamen 1.200.000. Inzake het aantal door krijgsraden ter dood veroordeelden na de volledige overwinning van Franco tast men in het duister.
- +
-1939 was de republiek bezweken. Het land was onbeschrijflijk geteisterd, de bevolking uitgeput, het zwarte schrikbewind kende geen grenzen meer. De laagste schattingen van het aantal slachtoffers (dat stellig groter is geweest dan deze cijfers vermelden) waren aldus gesneuveld 325.000, vermoord 100.000, van honger en ziekte gestorven 225.000, gevangen in concentratiekampen 200.000, naar het buitenland gevlucht 350.000. Tezamen 1.200.000. Inzake het aantal door krijgsraden ter dood veroordeelden na de volledige overwinning van Franco tast men in het duister.+
  
 Hoewel tenslotte het volksverzet faalde is het van zo uitzonderlijke betekenis geweest, dat het een nadere beschouwing verdient. Het waren de socialistische en anarcho-syndicalistische vakbonden, UGT en CNT, benevens de socialistische,​ communistische en anarchistische politieke organisaties,​ die vrijwilligers opriepen om in geordende eenheden, met zelf gekozen aanvoerders,​ ten strijde te trekken. Deze in overalls geklede militie heeft aangetoond, dat het mogelijk was geregelde troepen te verslaan in een stedelijke guerrilla, wanneer de bevolking in voldoende mate achter de gewapende arbeiders stond. Op het platteland moest weldra een front worden gevormd. En terwijl in de steden barricaden waren opgeworpen, moesten in de provincie loopgraven worden aangelegd. Naarmate de oorlog langer duurde kreeg hij een meer conventioneel karakter, met doorvoering van een algemene dienstplicht en een door de regering benoemd opperbevel. Met deze verandering van karakter van de strijdmethode wijzigde zich ook de mentaliteit. De militaire opstand had een sociaal revolutionaire tegenbeweging gewekt, die in Catalonië leidde tot een verregaande collectivisatie van boerenbedrijven en industriële ondernemingen. Elders had men te doen met een radicalisering der arbeiderklasse,​ staats- of gemeentebeheer van ‘vijandelijk eigendom’,​ zonder dat in beginsel de burgerlijke orde omver werd geworpen. In de Baskische provincies was de gewapende weerstand voornamelijk nationaal van aard. In oktober 1936 was het toen al geïsoleerde Baskenland praktisch onafhankelijk geworden, de grotendeels buitenlandse (Duitse) mijn- en staalbedrijven waren onder staatsbeheer gesteld, maar van een sociale omwenteling kon men hier niet spreken. In dit gebied werden ook niet - zoals vaak elders - kerken en kloosters in brand gestoken of gesloten, omdat zij als bolwerken van de zwartste reactie werden beschouwd. Bij vrijwel alle boerenopstanden en stedenrevoltes van de negentiende en twintigste eeuw moesten godsdienstige instellingen het ontgelden, en dit was ook in 1936 het geval. De Basken bleven echter trouw aan hun kerk. Hoewel tenslotte het volksverzet faalde is het van zo uitzonderlijke betekenis geweest, dat het een nadere beschouwing verdient. Het waren de socialistische en anarcho-syndicalistische vakbonden, UGT en CNT, benevens de socialistische,​ communistische en anarchistische politieke organisaties,​ die vrijwilligers opriepen om in geordende eenheden, met zelf gekozen aanvoerders,​ ten strijde te trekken. Deze in overalls geklede militie heeft aangetoond, dat het mogelijk was geregelde troepen te verslaan in een stedelijke guerrilla, wanneer de bevolking in voldoende mate achter de gewapende arbeiders stond. Op het platteland moest weldra een front worden gevormd. En terwijl in de steden barricaden waren opgeworpen, moesten in de provincie loopgraven worden aangelegd. Naarmate de oorlog langer duurde kreeg hij een meer conventioneel karakter, met doorvoering van een algemene dienstplicht en een door de regering benoemd opperbevel. Met deze verandering van karakter van de strijdmethode wijzigde zich ook de mentaliteit. De militaire opstand had een sociaal revolutionaire tegenbeweging gewekt, die in Catalonië leidde tot een verregaande collectivisatie van boerenbedrijven en industriële ondernemingen. Elders had men te doen met een radicalisering der arbeiderklasse,​ staats- of gemeentebeheer van ‘vijandelijk eigendom’,​ zonder dat in beginsel de burgerlijke orde omver werd geworpen. In de Baskische provincies was de gewapende weerstand voornamelijk nationaal van aard. In oktober 1936 was het toen al geïsoleerde Baskenland praktisch onafhankelijk geworden, de grotendeels buitenlandse (Duitse) mijn- en staalbedrijven waren onder staatsbeheer gesteld, maar van een sociale omwenteling kon men hier niet spreken. In dit gebied werden ook niet - zoals vaak elders - kerken en kloosters in brand gestoken of gesloten, omdat zij als bolwerken van de zwartste reactie werden beschouwd. Bij vrijwel alle boerenopstanden en stedenrevoltes van de negentiende en twintigste eeuw moesten godsdienstige instellingen het ontgelden, en dit was ook in 1936 het geval. De Basken bleven echter trouw aan hun kerk.
Regel 682: Regel 679:
 In de dorpen werd de gemeente beschouwd als de kern der samenleving. Zij werd geleid door een politiek comité dat de ‘kleur’ van het dorp weerspiegelde en dat in Catalonië in voortdurend contact stond met het volk. Er werden veel vergaderingen gehouden, aan discussies ontbrak het niet. De kerken waren gesloten, wanneer zij niet in de eerste dagen van de burgeroorlog in brand waren gestoken: alleen als zij historische monumenten waren, werden zij gespaard. (Zoals in Barcelona de kathedraal beschermd en gered is.) Voorzover er grootgrondbezit bestond werd de helft daarvan tot grond van de gemeenschap gemaakt, de andere helft werd verdeeld onder arme boeren. Dit land werd echter niet hun eigendom: eigenares van alle akkers en weiden was (juridisch) de gemeente. Pachten aan landheren werden natuurlijk niet meer betaald, en de verplichte bijdragen aan de gemeente mochten als regel niet meer bedragen dan de helft der vroegere pachtsommen. Onderwijs, ziekenzorg, wegenbouw, openbare diensten enz. behoorden voornamelijk tot de taken van de communes. De productie geschiedde op coöperatieve of collectieve grondslag. In Andalusië had het agrarische libertaire communisme soms utopische trekken, zodat het geld werd ‘afgeschaft’,​ alle eigendom voor onwettig werd verklaard en de productie en distributie op geheel communis tische wijze werden gereorganiseerd. De korte duur van dit experiment en de ongewone omstandigheden lieten niet toe, hieruit conclusies te trekken. Grote landgoederen bleven in deze streken intact, maar de pachters en landarbeiders hadden het beheer overgenomen. Zoveel mogelijk vermeden de boerenraden uitkeringen te doen in geld, de particuliere inkomsten bestonden voornamelijk uit producten die zonder betaling werden gedistribueerd. Een deel van de gewassen werd bestemd voor de steden en de soldaten aan het front. In de dorpen werd de gemeente beschouwd als de kern der samenleving. Zij werd geleid door een politiek comité dat de ‘kleur’ van het dorp weerspiegelde en dat in Catalonië in voortdurend contact stond met het volk. Er werden veel vergaderingen gehouden, aan discussies ontbrak het niet. De kerken waren gesloten, wanneer zij niet in de eerste dagen van de burgeroorlog in brand waren gestoken: alleen als zij historische monumenten waren, werden zij gespaard. (Zoals in Barcelona de kathedraal beschermd en gered is.) Voorzover er grootgrondbezit bestond werd de helft daarvan tot grond van de gemeenschap gemaakt, de andere helft werd verdeeld onder arme boeren. Dit land werd echter niet hun eigendom: eigenares van alle akkers en weiden was (juridisch) de gemeente. Pachten aan landheren werden natuurlijk niet meer betaald, en de verplichte bijdragen aan de gemeente mochten als regel niet meer bedragen dan de helft der vroegere pachtsommen. Onderwijs, ziekenzorg, wegenbouw, openbare diensten enz. behoorden voornamelijk tot de taken van de communes. De productie geschiedde op coöperatieve of collectieve grondslag. In Andalusië had het agrarische libertaire communisme soms utopische trekken, zodat het geld werd ‘afgeschaft’,​ alle eigendom voor onwettig werd verklaard en de productie en distributie op geheel communis tische wijze werden gereorganiseerd. De korte duur van dit experiment en de ongewone omstandigheden lieten niet toe, hieruit conclusies te trekken. Grote landgoederen bleven in deze streken intact, maar de pachters en landarbeiders hadden het beheer overgenomen. Zoveel mogelijk vermeden de boerenraden uitkeringen te doen in geld, de particuliere inkomsten bestonden voornamelijk uit producten die zonder betaling werden gedistribueerd. Een deel van de gewassen werd bestemd voor de steden en de soldaten aan het front.
  
-In het algemeen vervingen op economisch terrein de commu nes de staat. Het sluiten van huwelijken, het onderwijs der kinderen, het verlenen van pensioenen en uitkeringen,​ het begraven der doden, de medische verzorging, het distribueren der levensmiddelen (met of zonder geld) behoorden ook tot de taak der gemeenten. In zulke barre tijden als die van de burgeroorlog was de commune een bescheiden ‘verzorgingsstaat’ in miniatuur. Op het platteland heeft het libertaire communisme, op allerlei veelvormige manieren benaderd, positieve resultaten gehad. Zelfs indien kleine boeren voortgingen op de oude wijze particulier te werken werden de producten min of meer +In het algemeen vervingen op economisch terrein de commu nes de staat. Het sluiten van huwelijken, het onderwijs der kinderen, het verlenen van pensioenen en uitkeringen,​ het begraven der doden, de medische verzorging, het distribueren der levensmiddelen (met of zonder geld) behoorden ook tot de taak der gemeenten. In zulke barre tijden als die van de burgeroorlog was de commune een bescheiden ‘verzorgingsstaat’ in miniatuur. Op het platteland heeft het libertaire communisme, op allerlei veelvormige manieren benaderd, positieve resultaten gehad. Zelfs indien kleine boeren voortgingen op de oude wijze particulier te werken werden de producten min of meer ‘gesocialiseerd’. Het feodale parasitisme of het op winst bedachte kapitalisme werden zoveel mogelijk geëlimineerd. Reeds dit was een grote winst. Met de versterking van het republikeinse staatskapitalisme en de regeringsinmenging degenereerde ook dit beleid. Maar het behoorde tot het beste wat het sociaal-anarchisme metterdaad heeft gerealiseerd. Men kan, in de sfeer van een burgeroorlog,​ natuurlijk allerlei sombere zijden van het leven op het platteland onderstrepen. Talrijk moeten de afwijkingen van het ideale patroon, de misbruiken en de fouten zijn geweest. Ook dan blijft de indruk van een bijzonder experiment.
-‘gesocialiseerd’. Het feodale parasitisme of het op winst bedachte kapitalisme werden zoveel mogelijk geëlimineerd. Reeds dit was een grote winst. Met de versterking van het republikeinse staatskapitalisme en de regeringsinmenging degenereerde ook dit beleid. Maar het behoorde tot het beste wat het sociaal-anarchisme metterdaad heeft gerealiseerd. Men kan, in de sfeer van een burgeroorlog,​ natuurlijk allerlei sombere zijden van het leven op het platteland onderstrepen. Talrijk moeten de afwijkingen van het ideale patroon, de misbruiken en de fouten zijn geweest. Ook dan blijft de indruk van een bijzonder experiment.+
  
 ===== X De bevrijdingsoorlogen ===== ===== X De bevrijdingsoorlogen =====
Regel 705: Regel 701:
  
 In een analyse van de betekenis van Vietnam (‘Analyse eines Exempels’) heeft Herbert Marcuse uiteengezet,​ hoezeer volgens hem de strijd tegen het kapitalisme in de atlantische wereld verbonden behoort te zijn met die in de minder ontwikkelde landen. ‘Hier zijn objectief, zo niet subjectief, de klassieke voorwaarden gegeven voor de overgang tot het socialisme, namelijk: 1. de ellende der directe producenten als klasse, als agrarisch, niet-industriëel proletariaat. 2. vitale behoefte aan de radicale omwenteling van ondraaglijke levensomstandigheden. 3. de onbekwaamheid van de heersende klasse om de productiekrachten te ontwikkelen. 4. de militante organisatie van het nationale bevrijdingsfront,​ die een eenheid van nationale en sociale revolutie vertegenwoordigt. En al deze krachten werken binnen het wereldsysteem van het imperiale kapitalisme.’ De overwinning van deze krachten zou inderdaad, aldus Marcuse, de economie der ‘moederlanden’ schokken. In een analyse van de betekenis van Vietnam (‘Analyse eines Exempels’) heeft Herbert Marcuse uiteengezet,​ hoezeer volgens hem de strijd tegen het kapitalisme in de atlantische wereld verbonden behoort te zijn met die in de minder ontwikkelde landen. ‘Hier zijn objectief, zo niet subjectief, de klassieke voorwaarden gegeven voor de overgang tot het socialisme, namelijk: 1. de ellende der directe producenten als klasse, als agrarisch, niet-industriëel proletariaat. 2. vitale behoefte aan de radicale omwenteling van ondraaglijke levensomstandigheden. 3. de onbekwaamheid van de heersende klasse om de productiekrachten te ontwikkelen. 4. de militante organisatie van het nationale bevrijdingsfront,​ die een eenheid van nationale en sociale revolutie vertegenwoordigt. En al deze krachten werken binnen het wereldsysteem van het imperiale kapitalisme.’ De overwinning van deze krachten zou inderdaad, aldus Marcuse, de economie der ‘moederlanden’ schokken.
 +
 De grondgedachte is dus, dat de achtergebleven gebieden niet bij machte zijn - doordat zij economisch gekoloniseerd werden - om een nationaal kapitalisme met een eigen bezittende burgerij te ontwikkelen. Veeleer wijst hun ganse structuur er op, dat zij geroepen zijn rechtstreeks het socialisme te verwerkelijken,​ als zij zich willen vrij maken. De voorbeelden van Rusland, Joegoslavië,​ China, Vietnam en Cuba kunnen daarvoor worden aangehaald. De grondgedachte is dus, dat de achtergebleven gebieden niet bij machte zijn - doordat zij economisch gekoloniseerd werden - om een nationaal kapitalisme met een eigen bezittende burgerij te ontwikkelen. Veeleer wijst hun ganse structuur er op, dat zij geroepen zijn rechtstreeks het socialisme te verwerkelijken,​ als zij zich willen vrij maken. De voorbeelden van Rusland, Joegoslavië,​ China, Vietnam en Cuba kunnen daarvoor worden aangehaald.
  
Regel 745: Regel 742:
  
 De Nederlandse provo'​s die op het Europese continent wel als baanbrekers beschouwd konden worden, maar na enige jaren van het toneel verdwenen en wier politieke betekenis gering was, stonden het dichtst bij het anarchisme. De studentenleiders Rudi Dutschke en Cohn-Bendit (wiens boek over ‘le gauchisme’ we reeds noemden) putten hun argumenten uit anti-autoritaire tendensen van het socialisme. Een van hun meest geciteerde geestelijke leiders, de Duits-Amerikaanse filosoof Herbert Marcuse, was de vertegenwoordiger van een soort ‘vrijheidlievend marxisme’. Wanneer wij in het kort een aantal van hun denkbeelden weergeven is dit, omdat de libertaire invloeden daarin onmiskenbaar zijn. De Nederlandse provo'​s die op het Europese continent wel als baanbrekers beschouwd konden worden, maar na enige jaren van het toneel verdwenen en wier politieke betekenis gering was, stonden het dichtst bij het anarchisme. De studentenleiders Rudi Dutschke en Cohn-Bendit (wiens boek over ‘le gauchisme’ we reeds noemden) putten hun argumenten uit anti-autoritaire tendensen van het socialisme. Een van hun meest geciteerde geestelijke leiders, de Duits-Amerikaanse filosoof Herbert Marcuse, was de vertegenwoordiger van een soort ‘vrijheidlievend marxisme’. Wanneer wij in het kort een aantal van hun denkbeelden weergeven is dit, omdat de libertaire invloeden daarin onmiskenbaar zijn.
-  
  
 ==== De provo'​s ==== ==== De provo'​s ====
Regel 754: Regel 750:
  
 In het boek van Roel van Duyn ‘Het witte gevaar’ (wit was de geliefkoosde kleur der provo'​s) wordt gesproken van ‘provo-anarchisme’,​ en van zijn historische inspiratiebronnen zoals het sociaal anarchisme, het antimilitarisme,​ het syndicalisme,​ het dadaïsme. De in dit boek verhaalde historie van het ‘provotariaat’ (dat als opstandige factor het proletariaat moest vervangen) is een relaas omtrent voortdurende uitdagingen aan het gezag. Ze hadden een ontzaglijke propagandistische waarde, omdat de pers er een ongewone aandacht aan schonk. Tal van journalisten en fotografen koesterden blijkbaar sympathie voor een beweging, die de kwalen van een autoritaire en conservatieve democratie aan de kaak wilde stellen. Slechts het bestaan van diepe en wijdverbreide onlustgevoelens kon die enorme belangstelling verklaren. Het ging hier meer om een verandering van levenshouding dan om een sociale revolutie, en in zoverre was het individualistische element onmiskenbaar. In het boek van Roel van Duyn ‘Het witte gevaar’ (wit was de geliefkoosde kleur der provo'​s) wordt gesproken van ‘provo-anarchisme’,​ en van zijn historische inspiratiebronnen zoals het sociaal anarchisme, het antimilitarisme,​ het syndicalisme,​ het dadaïsme. De in dit boek verhaalde historie van het ‘provotariaat’ (dat als opstandige factor het proletariaat moest vervangen) is een relaas omtrent voortdurende uitdagingen aan het gezag. Ze hadden een ontzaglijke propagandistische waarde, omdat de pers er een ongewone aandacht aan schonk. Tal van journalisten en fotografen koesterden blijkbaar sympathie voor een beweging, die de kwalen van een autoritaire en conservatieve democratie aan de kaak wilde stellen. Slechts het bestaan van diepe en wijdverbreide onlustgevoelens kon die enorme belangstelling verklaren. Het ging hier meer om een verandering van levenshouding dan om een sociale revolutie, en in zoverre was het individualistische element onmiskenbaar.
 +
 Zodra het ging om praktisch-politieke kwesties moest men concluderen,​ dat ook de burgerlijke democratie de verdedigde veranderingen,​ hoe radicaal zij ook waren, wel kon verwerkelijken. Met name gold dit voor de strijd tegen: luchtverontreiniging;​ het onheilspellende autoverkeer;​ het gebrek aan speelruimte voor jong en oud. Het gold voor het pleidooi voor geoorloofde jeugderotiek,​ voorbehoedmiddelen en sexuele voorlichting;​ de afkeer van een consumptie-maatschappij,​ waarin de industrie probeert de mens tot slaaf te maken van steeds opnieuw gecreëerde nutteloze behoeften; de weerzin tegen de massa-suggesties van de gelijkschakelende communicatiemiddelen. Zodra het ging om praktisch-politieke kwesties moest men concluderen,​ dat ook de burgerlijke democratie de verdedigde veranderingen,​ hoe radicaal zij ook waren, wel kon verwerkelijken. Met name gold dit voor de strijd tegen: luchtverontreiniging;​ het onheilspellende autoverkeer;​ het gebrek aan speelruimte voor jong en oud. Het gold voor het pleidooi voor geoorloofde jeugderotiek,​ voorbehoedmiddelen en sexuele voorlichting;​ de afkeer van een consumptie-maatschappij,​ waarin de industrie probeert de mens tot slaaf te maken van steeds opnieuw gecreëerde nutteloze behoeften; de weerzin tegen de massa-suggesties van de gelijkschakelende communicatiemiddelen.
  
namespace/anarchisme_van_de_daad.txt · Laatst gewijzigd: 16/10/19 10:14 (Externe bewerking)