WE HEBBEN ONS DEEL BIJGEDRAGEN
Interview met Joop en Greet Wanderlee
door P'tje Lanser
Je zou ze zo kunnen uittekenen. Je zou ze de opa en oma van de activistische, anarchistische beweging kunnen noemen. Bij onnoemlijk veel manifestaties, demonstraties en dergelijke tref je Joop en Greet Wandelee aan. Meestentijds arm in arm. Wie zijn deze twee bijzondere mensen en hoe denken ze over het anarchisme?
Greet groeide in Deventer op in een vrij-socialistisch gezin. Haar vader kende Domela Nieuwenhuis persoonlijk. Hij was voorzitter van een werkliedenvereniging en, net als Domela, geheelonthouder. Reeds op jonge leeftijd ging Greet mee naar politieke bijeenkomsten. Op één zo’n treffen leerde ze in 1946 Joop kennen. Ze trouwden, noodgedwongen om aan een huis te komen. Hun huwelijk noemen ze nadrukkelijk een vriendschapsband. Inmiddels zijn ze meer dan vijftig jaar bij elkaar. Ze kregen zeven kinderen, vier jongens en drie meisjes. Greet, nu 73 jaar, werkte als voorvrouw bij een schoonmaakbedrijf, Joop (78), metaalbewerker van oorsprong, jarenlang als portier bij het GAK. Beiden zijn ze nu met pensioen. “We leiden een gezapig leventje”, zegt Greet. Maar gezien de vele acties en manifestaties die ze tot voor kort bezochten valt dat allemaal best nog wel mee.
Joop’s opa was katholiek, maar werd een Domela aanhanger. Zijn vader begaf zich in de vrij- socialistische beweging. Joop: “Het is allemaal denk ik niet direct van invloed geweest, hoewel, achteraf bezien misschien toch wel. Het vrij-socialisme zit gewoon in je. Maar hoe dat dan komt? In 1946 kwam ik op de pont over het IJ mijn meester van de lagere school tegen. Toen die man mij uiteindelijk herkende, typeerde hij mij als ‘aardig én eigenwijs’”.
Joop werd tijdens de tweede wereldoorlog in Duitsland tewerkgesteld. Hij raakte gewond bij een bombardement van de geallieerden. Dat betekende bijna zijn dood. Twee maanden lag hij in een ziekenhuis. Hij mocht tijdelijk terug naar Nederland, waar hij aan zijn heup werd geopereerd. Hij ging niet meer terug. Dook onder. Maakte de slag bij Arnhem mee. Eind 1944 werd hij opgepakt en in het concentratiekamp in Amersfoort geplaatst. Een half jaar later werd hij daar ontslagen, als niet-politiekgevangene.
Vrije jeugdgroep
Joop: “Na de oorlog gingen jongeren op hun manier met politiek bezig, ook de sociaal-democraten en communisten. Bij een van de communistische manifestaties kocht ik een ‘De Vrije Socialist’. In het najaar van 1945 leerde ik de ouders van Greet kennen. Greet zelf ontmoette ik op een Domela bijeenkomst in Krasnapolsky”.
Greet: “Het leek daar wel een oudemannenhuis, met overigens ook veel vrijdenkers. Ik noemde dat graag ‘de kerk in Krasnapolsky’. Maar dat vonden ze niet zo leuk. In Amsterdam ontstond een Vrije Jeugdgroep van rond de vijftien personen. Met deze groep colporteerden we met bladen als ‘De Vrije Socialist’ en ‘De Wapens Neder’. Daarnaast bezochten we weekends van andere jongerengroepen: van de geheelonthouders, het ANJV, en de naturisten van ‘Zon en Leven’. Rond Sinterklaas plakten we posters met de boodschap ‘Koop geen oorlogsspeelgoed!’. Met een bakfiets reden we de stad door met anti-verkiezingsleuzen. We deden aan toneelavonden en bouwden de decors zelf. Het was echt een ontzettend leuke tijd!
We verstoorden ook graag bijeenkomsten van de CPN. Henk Gortzak hield bij één zo’n samenkomst een betoog onder de titel ‘Met Domela is ook de anarchistische beweging gestorven’. Terwijl hij daar zo stond te praten, sprongen wij steeds op en riepen ‘we leven nog!’. Werden we vervolgens door de ordedienst de zaal uitgezet. Gooiden ze ons uit hun sovjet. Maar de boel stond inmiddels wel mooi op zijn kop.
In 1953, 1954 losten de vrije jeugdgroepen geleidelijk op. Ook het blad ‘De Vrije Socialist’ liep op zijn laatste poten. Anton Constanse heeft eens gezegd dat na de Spaanse Revolutie de anarchistische beweging opgehouden heeft te bestaan. Daar had hij wel gelijk in”.
Toch legde niet iedereen in Nederland zich hier bij neer. In de jaren dertig hadden vrij-socialisten in Appelscha een stuk grond gekocht en er een kampeerterrein ingericht. In de, voor het anarchisme, lauwe vijftiger en zestiger jaren bleef dit terrein een belangrijke rol vervullen voor de anarchistische beweging.
Greet: “We gingen voor het eerst naar Appelscha in 1947, samen met vijf anderen. Ik kom dan wel uit een vrij-socialistisch nest, maar mijn ouders zijn pas veel later eens meegegaan. Wij hebben onszelf trouwens nooit anarchisten genoemd. Nou ja, Joop doet het soms nog wel eens. We noemen ons vrij-socialisten, strevend naar het anarchisme”.
Joop: “Ik vind die etiketten allemaal niet zo belangrijk. Om anderen duidelijk te maken waar ik voor sta, noem ik mezelf wel eens anarchist. Maar dan wel sociaal-anarchist. Vanuit mijn achtergrond als metaalbewerker in de scheepsbouw leg ik namelijk de verbinding tussen het vrij-socialisme en de arbeidersbeweging. In mijn jongerentijd was die link nog veel duidelijker.
Het socialisme kent trouwens diverse stromingen, maar ik denk dat ze allemaal uiteindelijk hetzelfde doel voor ogen hebben. Er zijn vooral verschillen in strategie. Vrij-socialisten bewandelen niet de weg van de parlementaire democratie, zij vinden dat arbeiders het economische en politieke heft in eigen hand moeten nemen. Arbeidersstrijd heeft de arbeider na de tweede wereldoorlog welvarender gemaakt, maar tegelijkertijd ook conservatiever en reactionair.
Omdat we kleine kinderen hadden, zijn we een tijd niet meer naar Appelscha gegaan. Toen we er in de begin jaren zeventig weer kwamen, waren er steeds discussies over het arbeidsethos. Het leek wel alsof loondienst per definitie slecht was, en uitkeringen goed waren. Ik vind nog steeds dat de grondslag van de vrij-socialistische strijd arbeid moet zijn. Dat onderwerp zal goed ingevuld moeten worden. Sommige anarchisten zijn voor mij teveel met het individuele bezig. De economie heeft invloed op mensen, dus je zult dat moeten betrekken in je theorieën. Ook bij de huidige discussie over de globalisering is het belangrijk om het onderwerp arbeid erbij te betrekken. Mensen in bedrijven, op scholen enzovoorts moeten we enthousiast krijgen voor de ideeën van zelfbeheer. Mijn doel is namelijk te komen tot een maatschappij van bewuste mensen”.
Joop denkt dat er vandaag de dag meer ideeën over vrijheid bestaan en dat ook meer mensen er warm voor lopen. De massale anti-globaliseringsdemonstraties van de laatste paar jaar hebben voor hem allemaal iets van het anarchisme in zich.
Appelscha
Joop werd geïnspireerd door anarchisten als Kropotkin, Bakunin, de gebroeders Reclus - van de leus ‘Evolutie, revolutie’-, en haast als vanzelfsprekend ook door Domela Nieuwenhuis. Laatstgenoemde werd in het noorden van Nederland wel eens als een soort god afgeschilderd, zegt Joop. Om zich vervolgens af te vragen of dat zo bezwaarlijk was. Domela kon namelijk gewoon goed praten en schrijven. Voor de anarchistische beweging was hij daarom ook zo belangrijk.
Vanwege de kinderen had Greet nauwelijks tijd om te lezen. Ze noemt Joop graag plagerig een salonsocialist, zelf zegt ze meer een vrouw van de actie te zijn. Ze maakten Wijers (in de jaren tachtig een groot kraakpand in Amsterdam) mee, het in Groningen gekraakte Wolters Noordhoff, en samen met Kees Koning het Vakmobiel in Woensdrecht. Hierdoor kennen ze ook zo veel jongeren. Hun buurman, een oud-politieagent, wist dat ze veel naar acties gingen. Als hij hen weer eens zag gaan, zei hij steevast ‘Niet vooraan gaan staan, hoor!’. Naast acties vindt Greet theorieën over anarchisme echter wel degelijk belangrijk.
Joop: “Maar wat is theorie, en wat is praktijk? Het anarchisme heeft beide nodig”.
Wat houdt anarchisme volgens hen in? Greet: “Joke, een van onze dochters, vroeg ons eens wat anarchisme was. Ik zei toen dat het betekent dat je niet wilt heersen en niet overheerst wilt worden. Zo simpel is het. Je moet het ook niet zo moeilijk maken voor kinderen. Anarchisme betekent voor mij dat je tolerant bent ten opzichte van elkaar. Het gaat om goede omgang, om goede behandeling van elkaar Bij discussies in Appelscha denk ik wel eens: ‘Moet dat allemaal nou zo ingewikkeld?’”.
Joop: “Anarchisten naïef? Nee hoor, en Appelscha bewijst dat ook. Elk jaar komen daar met Pinksteren zo’n drie tot vierhonderd mensen naar toe, waaronder ook veel jongeren. Die steken daar dingen op die ze weer met zich meenemen. Zij het om zich verder in het anarchisme te verdiepen, of om de ideeën toe te passen in actiegroepen op het gebied van vrede en milieu. Door de jaarlijkse Pinksterlanddagen is het anarchisme in Nederland blijven bestaan. Ik ben er daarnaast van overtuigd dat het anarchisme van grote waarde is voor een maatschappij waar het goed leven is voor iedereen. Of zo’n maatschappij werkelijkheid wordt, dat weet ik niet. Maar anarchisme is wel de enige politieke theorie die de mogelijkheid van een behoorlijke samenleving in zich heeft”.
Greet: “De Pinksterlanddagen zijn inderdaad een pluspunt, maar voor de rest stelt de camping niet veel voor. Er is geen verband meer. We hebben zelfs meer contact met mensen in het dorp dan op de camping. Met de jongeren gaat het overigens wel goed. Van veel jongeren heb ik ook een hoge pet op, ze zijn positief bezig”.
Joop: “Sinds 1986 hebben wij op Appelscha een eigen caravan. We hebben er toen een aantal ontzettend leuke, vrij-socialistische jaren gehad. Het terrein, dat overigens ‘Tot Vrijheidsbezinning’ heet, is op een gegeven moment als rechtspersoon in een stichting ondergebracht. Wat betreft het beheer van het terrein is er verschil van mening ontstaan over de functie van deze stichting. Dat heeft zijn invloed op de saamhorigheid en gezelligheid gehad. Toch gaan we er nog steeds met veel plezier heen en dragen we ons steentje bij tot verbetering”.
Alcohol
Om op de jongeren terug te komen, daarmee was het trouwens niet altijd koek en ei. In de tijd dat veel activisten ‘van die uniformen droegen’, zoals Greet dat zegt, dat was in de jaren tachtig, werden zij en Joop regelmatig voor stillen aangezien. Toen ze eens een Amsterdams kraakcafé voor een informatieavond over de Engelse mijnwerkersstaking binnenstapten, werden ze bijzonder argwanend bekeken. Ze hadden geluk, iemand herkende hen en begroette hen hartelijk. Toch trokken ze zich nooit iets van dit soort voorvallen aan. Vaak gebeurde het ook dat bij acties autoriteiten en omstanders er van uit gingen dat zij er niet bij hoorden.
Greet: “Ook nu zijn we nog steeds volop actief in de beweging. Al gaat dat wel wat moeilijker voor ons met het lopen. Maar als het even kan gaan we overal heen. Ik vind het bijvoorbeeld prachtig dat op dit moment jonge mensen op een gekraakt militair terrein in Gilze-Rijen een klein dorpje willen gaan bouwen. In het verleden hebben we ook veel met actiekampen gedaan. We gaven dan vaak spullen. Maar nooit alcohol! Ik ben geen fanatieke geheelonthouder, en ik heb ook wel het een en ander geprobeerd. Maar ik heb er gewoon geen behoefte aan. En ik heb een hekel aan dronken mensen. Op Appelscha zijn jarenlang botsingen geweest over wel of geen alcohol, maar ik vind het daar gewoon niet nodig”.
Ook aan Joop en Greet stel ik de vraag of zij denken dat een anarchistische samenleving haalbaar is. Joop: “Ik denk dat die wel haalbaar is. Als je naar het heden kijkt zie je dat veel mensen, die niet politiek geïnteresseerd zijn, goede dingen voor en met elkaar doen. Zo is er bijvoorbeeld in het autoverkeer veel ellende, maar ook veel hulpvaardigheid. En zo is internet weer heel belangrijk voor allerlei contacten over de hele wereld. De NGO’s zijn met duizenden toegenomen, dus uiteindelijk zal dat allemaal merkbaar moeten worden. De vraag is natuurlijk wat de machthebbers daar tegenover zullen stellen”.
Greet: “Ik zal een anarchistische samenleving niet meer meemaken. Maar ik denk wel dat die er ooit zal komen. Want, ‘eens komt die schone, klare dag!’. In ieder geval hebben wij ons deel aan het vrije-socialisme bijgedragen!”.